1. De SPD onder het bondskanselierschap van Merkel
Wolfgang Streeck

De SPD onder het bondskanselierschap van Merkel

door Wolfgang Streeck, vertaling Menno Grootveld

De SPD onder het bondskanselierschap van Merkel
door Wolfgang Streeck, vertaling Menno Grootveld

Als onderdeel van de serie over Europees links heeft The Current Moment een artikel van Wolfgang Streeck gepubliceerd over de SPD onder het bondskanselierschap van Angela Merkel. Streeck is directeur van het Max Planck Instituut voor Gesellschaftsforschung in Keulen. Hij wordt in Duitsland en daarbuiten alom geprezen voor zijn werk op het gebied van desociologie en de politieke economie. Zijn meest recente boek, Gekaufte Zeit, komt in het najaar in Nederlandse vertaling uit bij Leesmagazijn.

Sinds het najaar van 2013 wordt Duitsland geregeerd door een grote coalitie van de christendemocratische CDU/CSU van bondskanselier Angela Merkel en de sociaaldemocratische SPD van partijleider Sigmar Gabriel. Dit samengaan van 'zwart' en 'rood' was niets anders dan de formalisering van de informele samenwerking na de eerste grote coalitie van de 21ste eeuw in 2009. Nu de oppositie in de Bondsdag is verpulverd tot een kleine, politiek versplinterde minderheid, lijkt het niet al te overdreven om te stellen dat de regering stevig in handen is van een centrumpartij van nationale eenheid waarin de twee voormalige Volksparteien vreedzaam zijn opgegaan. Het is opmerkelijk hoe tevreden de twee partijen zijn met hun hereniging, en hoe stabiel hun aandeel in de uitgebrachte stemmen sinds 2009 is gebleven: de CDU/CSU krijgt de steun van ongeveer 40 procent van de kiezers, terwijl de SPD blijft steken op zo'n 25 procent, een uitslag die in 2009 nog als catastrofaal werd gezien en werd toegeschreven aan het feit dat de partij de minderheidspartner in het kabinet van Merkel was geweest. Nu lijkt de SPD er vrede mee te hebben geen serieuze kandidaat voor het kanselierschap meer te zijn, zo niet voor altijd dan toch in ieder geval voor heel lang.

Er zijn diverse redenen voor de stabiliteit van de huidige machtsdeling – of beter gezegd: dit coöptatieregime – en de verwachting dat dit nog lange tijd zal standhouden. Angela Merkel lijkt de voorkeur te geven aan SPD boven de coalitiepartner van haar tweede termijn als bondskanselier, de FDP. Met de sociaaldemocraten aan boord loopt ze niet langer het risico door haar partij te worden gedwongen – of door haar hartstochten, als ze die al heeft, te worden verleid – de gevoelens van de gepensioneerden, de werklozen of de resterende cliënten van de verzorgingsstaat te krenken door neoliberale 'hervormingen' na te streven, althans in Duitsland. Terwijl de SPD minder vatbaar is voor electoraal politieke paniek, omdat zij zich (nog steeds) voldoende ver verwijderd weet van de vijfprocentsdrempel, zal de FDP misschien wel nooit meer herstellen van haar inzinking en verdwijnen in het niemandsland buiten de Bondsdag. Bovendien zijn er, als de SPD om de een of andere reden zou breken met Merkel, nu de Groenen die staan te trappelen om de plaats van de SPD als regeringspartner in te nemen – en de SPD weet dat. Nu ze na het teleurstellende verkiezingsresultaat van 2013 afscheid hebben genomen van hun oude leiders, zijn de Groenen nog steeds boos op zichzelf omdat ze Merkels uitnodiging voor coalitieonderhandelingen hebben afgewezen. Merkel kan nu kiezen tussen twee comfortabele meerderheden, een met de SPD en een met de Groenen, en de volgende keer wil ze misschien wel van partner ruilen eenmaal de SPD het vuile werk heeft opgeknapt met het herzien van de Energiewende, rekening houdend met de belangen van de Duitse exportsector en wellicht de particuliere huishoudens die te kampen hebben met steeds verder stijgende elektriciteitsprijzen. Meer daarover hieronder.

Intussen lijkt rood-groen-rood, een regering onder leiding van de SPD met de Groenen en de Linkspartij, als praktische mogelijkheid steeds verder uit beeld te verdwijnen. De Groenen, die uiteindelijk hun linkse neigingen hebben laten varen, zullen niet toestaan dat hun mogelijke deelname aan een regering waarvan ook Die Linke deel uitmaakt ten koste gaat van hun nieuwe imago van een door en door bürgerliche middenpartij met een sociaal-progressieve en ecologisch bewuste agenda. En hoewel de Linkspartij hard haar best heeft gedaan om zichzelf af te schilderen als een stabiele steunpilaar van ‘Europa’ – dat in Duitsland nu wordt gelijkgesteld aan de euro – zal haar sympathie voor Rusland in de crisis rond Oekraïne haar nog meer tot een buitenbeentje in de Duitse partijpolitiek maken, niet in de laatste plaats dankzij de aanhoudende verkettering door de SPD. Binnen de SPD heeft Sigmar Gabriel, de partijleider en minister van Economische Zaken, de controle nu volledig in handen. Dit komt niet in de laatste plaats doordat Merkel, door belangrijke concessies te doen tijdens de coalitieonderhandelingen, waaronder een onevenredig grote vertegenwoordiging van SPD-ministers in het kabinet, het hem makkelijker heeft gemaakt de verpletterende nederlaag te vergeten die de partij in 2013 onder zijn leiderschap heeft geleden. Bovendien is Gabriels kandidaatkanselier Peer Steinbrück al twee of drie dagen na de verkiezingen op wonderbaarlijke wijze in het niets verdwenen, alsof hij nooit had bestaan; niemand heeft sindsdien nog van hem vernomen. Frank-Walter Steinmeier, Gabriels tweede voormalige rivaal, is blij dat hij weer minister van Buitenlandse Zaken mag zijn, een post die hij al tijdens de eerste grote coalitie tussen 2005 en 2009 bekleedde, waarna de partij zo onder de indruk van hem was dat zij hem – met desastreuze gevolgen – tot kandidaat-bondskanselier bombardeerde.

Het bondgenootschap van Gabriel met Angela Merkel heeft hem in staat gesteld de kloof tussen de SPD en de vakbonden te dichten, via twee beleidsconcessies die hij bij de CDU/CSU heeft bedongen. De eerste betreft de invoering van een algemeen minimumloon, de tweede een feitelijke verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd voor een selecte groep werknemers. Beide maatregelen zijn weliswaar nog steeds niet rond en de details worden betwist tussen de SPD en facties binnen de CDU/CSU, maar de bondskanselier houdt zoals je zou verwachten stevig vast aan de coalitieovereenkomst en het lijdt geen twijfel dat de twee maatregelen uiteindelijk in een of andere vorm zullen worden bekrachtigd. De voorgeschiedenis van de op handen zijnde wetgeving rond het minimumloon is overigens nogal curieus. Lange tijd hebben de vakbonden zich verzet tegen iedere wettelijke regulering van de lage lonen, om de collectieve salarisonderhandelingen te beschermen. De eerste die de gesloten gelederen doorbrak was de vakbond voor de dienstensector, Verdi, die na de hervormingen van de arbeidsmarkt de controle over de onderkant daarvan was kwijtgeraakt. Na een paar jaar ging ook IG Metall, nog steeds de sterkste vakbond, overstag. Dit had al veel eerder kunnen gebeuren omdat zij praktisch geen laagbetaalden vertegenwoordigt. Nu kan de SPD met het wettelijk minimumloon zwaaien als een eerbetoon aan de vakbonden en als een teken dat de sociaaldemocratische regeringsdeelname echte voordelen voor de werknemers met zich meebrengt – wat in dit geval eigenlijk nog waar is ook.

Ook de pensioenhervormingen dienen om de betrekkingen met de bonden te repareren. Onder de eerste grote coalitie heeft de toenmalige SPD-leider en minister van Arbeid, Franz Müntefering, bijna in zijn eentje de pensioengerechtigde leeftijd opgetrokken naar zevenenzestig jaar, waarbij de SPD werd gepasseerd in wat neerkwam op een soort coup d'état met de steun van Merkel. De nieuwe wet maakt het mogelijk dat werknemers met een arbeidsverleden van vijfenveertig jaar - inclusief perioden van werkloosheid - op hun drieënzestigste met pensioen gaan, met volledig behoud van rechten. De zaak is ingewikkelder dan het lijkt en complexer dan de pleitbezorgers en criticasters ervan haar willen doen lijken. Het is waar dat de wet vooral in het voordeel is van de mannelijke handarbeiders die de kerngroep van het ledenbestand van de vakbonden vormen. In ruil daarvoor heeft de SPD een nog duurdere pensioenverhoging geslikt voor moeders met kinderen die vóór 1992 geboren zijn, wat een lievelingsproject was en is van de christendemocraten in hun pogingen om de vrouwelijke stem terug te winnen. Net als tegen het minimumloon hebben veel Duitse economen zich met hand en tand verzet tegen beide pensioenhervormingen. Zij vormen een neoliberale monocultuur die een verbazingwekkende interne conformiteit tentoonspreidt en voorspelbaar gekant is tegen alles wat ook maar enigszins sociaaldemocratisch lijkt.

Naast de wetgeving over het minimumloon en de pensioenhervormingen zullen met name drie kwesties de agenda van de grote coalitie bepalen. Uiteindelijk zullen zij beslissen op welke constellatie van politieke krachten de vierde termijn van Merkel – niemand twijfelt er in alle ernst aan dat zij die wil en zal krijgen – gebaseerd zal zijn. De eerste van deze kwesties is Europa. Op dit punt is de SPD het altijd eens geweest met Merkel, zowel binnen als buiten de regering. Het is waar dat de partij zo nu en dan anti- Merkel-retoriek heeft ingezet om het euro-idealistische deel van de middenklasse naar zich toe te trekken, zoals dat vooral door de Groenen wordt vertegenwoordigd. In die zin heeft Gabriel vóór de verkiezingen van 2013 diverse pogingen gedaan om de steun te verwerven van intellectuelen als Jürgen Habermas, om wat hij presenteerde als een sociaaldemocratisch alternatief voor Merkels Europa-beleid. De boodschap, zij het meestal gecodeerd en heel subtiel, was dat Merkel minder deed dan nodig was om het lijden in het zuiden te verzachten. Maar het enige praktische gevolg - als dat er al was – was dat Merkel won en de SPD verloor door toedoen van degenen die bang waren dat ‘Europa’ te duur zou worden. Het lijkt erop dat dit de reden was dat Merkel het niet nodig vond wraakzuchtig te zijn naar aanleiding van de sociaaldemocratische aanvallen.

Toen de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen begonnen, was de eerste overeenkomst die al op de allereerste dag lijkt te zijn gesloten dat de SPD de europeanisering van de staatsschulden (‘eurobonds’) heeft laten vallen, die de Groenen en de progressieve middenklassen zo dierbaar was, in ruil voor de instemming van de CDU met het wettelijk minimumloon. Zowel de CDU/CSU als de SPD weten dat meer dan symbolische hulp voor de crisislanden hen bij verkiezingen duur komt te staan, hoewel de SPD – tot grote opluchting van Merkel – voor het ‘progressieve’ deel van haar aanhang wel heeft moeten voorwenden daar niet van onder de indruk te zijn. In werkelijkheid vormen Merkel, Schäuble, Gabriel, Steinmeier en de reeds vergeten Steinbrück al lang een Einheitsfront, in de wetenschap dat ze de euro tegen iedere prijs moeten verdedigen, omdat die de levenslijn van de Duitse exportsector is, niet alleen voor de werkgevers maar ook voor de vakbonden. Voor de Duitse economie betekent de Europese Monetaire Unie een gunstige wisselkoers plus vaste prijzen voor de Duitse producten op de gesloten ‘interne markt’ die tegen politieke ontwrichting door een herschikking van nationale munten is beschermd. De Duitse politieke klasse weet dat hier op een bepaald punt voor zal moeten worden betaald, maar zij is vastbesloten die prijs zo laag mogelijk en voor haar kiezers zo onzichtbaar mogelijk te houden. Eén manier om dit te doen is aandringen op ‘hervormingen’ in de schuldenlanden, een andere het bieden van financiële steun aan sociale programma's in Griekenland of Spanje die klein genoeg zijn om geen deuk te slaan in de Duitse overheidsfinanciën, maar ook geen invloed hebben op de ellende in het zuiden. Veel belangrijker is de stilzwijgende steun van zowel de CDU als de SPD voor de diverse geheime maatregelen van de Europese Centrale Bank om de noodlijdende Zuid- Europese banken te hulp te schieten en de schuld van de mediterrane staten te herfinancieren, ondanks het verbod daarop in het Verdrag van Maastricht. Terwijl de christendemocraten pretenderen van niets te weten, zijn de sociaaldemocraten uit op de lof van hun pro-Europese aanhangers omdat ze de ‘noodmaatregelen’ van de ECB niet hebben gedwarsboomd.

De zogenoemde ‘Europese verkiezingen’ werden op twee niet direct verenigbare manieren, op hetzelfde moment en door dezelfde spelers, officieel in de Duitse politiek ingekaderd. In de eerste plaats werden ze afgeschilderd als een manicheïstische strijd tussen de ‘goede Europeanen’ van het Einheitsfront van CDU/CSU/SPD/Groenen/FDP en de ‘vijanden van Europa’ - de ‘Anti-Europeanen’, vooral vertegenwoordigd door een nieuwe centrum-rechtse partij, AfD, die was gevormd om het einde van de monetaire unie te eisen. Tijdens de verkiezingscampagne zijn alle controversiële punten tussen de huidige regeringspartijen, waarvan de meeste sowieso pseudo-controversieel waren, weggemoffeld (er werd geen gewag meer gemaakt van ‘eurobonds’), net zoals op Europees niveau alle cruciale besluiten werden uitgesteld (zoals de bankenunie en de diverse aanvullende ‘reddingsoperaties’ die deze zal vergen). De gemeenschappelijke doelstellingen van de christendemocraten en de sociaaldemocraten waren een hogere kiezersopkomst en het zo klein mogelijk houden van de AfD. Beide doelstellingen werden deels verwezenlijkt doordat de 7,0 procent van de AfD lager was dan de proteststem in veel andere landen en de opkomst voor het eerst sinds decennia bij een nationale verkiezing omhoog is gegaan, van 43,3 naar 48,1 procent.

In de tweede plaats werd de verkiezing tegelijkertijd voorgesteld als een competitie tussen twee individuen, beiden Europese functionarissen met een respectabele staat van dienst en niet van elkaar te onderscheiden Europese overtuigingen, die in heel Europa namens hun respectievelijke ‘partijfamilies’ de strijd aangingen om het voorzitterschap van de Europese Commissie: de Luxemburgse christendemocraat Jean-Claude Juncker en de Duitse sociaaldemocraat Martin Schulz. Merkel had haar partij min of meer vol enthousiasme toegestaan aan deze komedie mee te doen, blijkbaar op voorwaarde dat zijzelf en niet Juncker op de verkiezingsposters van de CDU zou staan. De SPD stond er daarentegen op dat de ‘winnaar’ van deze wedstrijd tot commissievoorzitter moest worden benoemd, ook al kan er in de Europese verdragen niets daaromtrent worden aangetroffen en had Schulz nooit een reële kans om een meerderheid in het parlement achter zich te krijgen. Opmerkelijk genoeg heeft de SPD Schulz de hele campagne door gepresenteerd onder de slogan ‘Uit Duitsland, voor Europa’, in duidelijke tegenspraak met de pan-Europese retoriek waarvan Schulz zich buiten zijn geboorteland bediende. Het nationalistische kader waarin de sociaaldemocratische ‘Europese’ kandidaat werd aangeprezen heeft zich goed uitbetaald. Terwijl de christendemocraten 2,6 procentpunt inleverden en op 35,3 procent uitkwamen, won de SPD 6,5 procentpunt (ten opzichte van de 20,8 procent uit 2009, wat het slechtste resultaat ooit was voor de partij), om op 27,3 procent uit te komen.

Nu de verkiezingen voorbij zijn, is het weer de beurt van de Europese Raad, de vertegenwoordiging van de nationale overheden, wat vandaag de dag in principe de beurt van Angela Merkel betekent. Als ze dat wil kan ze nu als de informele leider optreden van haar ‘partijfamilie’ en proberen Juncker als Commissievoorzitter te installeren. Voor de vereiste meerderheid in het Europees Parlement heeft ze de steun van de sociaaldemocraten nodig, die ze zou kunnen krijgen als ze Schulz een post aanbiedt als Commissielid, misschien als vice-president. Dit zou ze kunnen doen door de zittende Duitse eurocommissaris te offeren, een vroegere christendemocratische minister-president van de deelstaat Baden-Württemberg die – heel plezierig – toevallig ook tegen het anti-nucleaire energiebeleid van Merkel is. Het sturen van Schulz naar Brussel als vertegenwoordiger van Duitsland zou Merkels Duitse coalitiepartner gelukkig maken: niet alleen zou de Duitse grote coalitie erdoor naar Europees niveau worden getild – waar christendemocraten en sociaaldemocraten altijd al nauw hebben samengewerkt –, de SPD had bij de coalitieonderhandelingen ook de Duitse post in de Commissie opgeëist, zonder dat beide kampen tot overeenstemming waren gekomen. Bovendien zou een benoeming van Schulz op nuttige wijze aantonen, mocht dat nog nodig zijn, dat Merkel weet hoe zij ongehoorzame leden van haar kamp moet afstraffen. Merkel zou ook, na een korte periode van besluiteloosheid, de verkiezingsresultaten gewoon kunnen negeren en een Commissievoorzitter kunnen benoemen die de goedkeuring van de Britten kan wegdragen, waardoor zowel Juncker als Schulz buitenspel zouden komen te staan. Dit zou een positief signaal zijn voor diegenen in Europa, en niet alleen in Engeland, die graag zouden zien dat er bevoegdheden door Brussel aan de natiestaten worden teruggegeven. In het bijzonder zou het een goede voorbereiding zijn voor de komende onderhandelingen met Londen over een herziening van de Europese verdragen langs deze lijnen. Het lijkt erop dat Duitsland er belang bij heeft Groot-Brittannië binnen de EU te houden, al was het maar als verzekering tegen al te ambitieuze integratieprojecten zoals die waarschijnlijk vanuit de zuidelijke lidstaten zullen worden gelanceerd en vanuit Duits gezichtspunt behoorlijk duur zouden kunnen zijn. Uiteindelijk zal de SPD, die immers het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken bestiert, hier - misschien na wat publiekelijk gemopper – waarschijnlijk wel akkoord mee gaan, zoals de partij dat altijd heeft gedaan.

De tweede kwestie die de SPD op een of andere manier de baas moet zien te worden is de implementatie van het amendement op de grondwet over een evenwichtige begroting, uitgerekt over een periode van ruim tien jaar, dat onder de eerste grote coalitie onder Merkel in 2009 is aangenomen. Omdat de CDU/CSU en de SPD het amendement samen hebben ingebracht, zal het voor beide partijen moeilijk zijn ervan af te wijken. Aan de andere kant kunnen er, ook al is de taal waarin het is opgesteld buitengewoon gedetailleerd en technisch waardoor het amendement volledig onleesbaar is geworden voor een algemeen publiek, altijd gaten worden gevonden om de bezuinigingen indien nodig te verzachten. Zolang de algemene economische situatie in Duitsland zo goed blijft als zij nu is, zal de consolidatie van de overheidsfinanciën, die al is begonnen, slechts weinig pijn veroorzaken en kan het in evenwicht brengen van de begroting een gezamenlijke onderneming blijven. Maar de pensioenhervormingen van 2014 waren al in strijd met de geest van de bezuinigingen waaronder de Schuldenbremse tot stand was gekomen, en op het moment dat de belastinginkomsten gaan stagneren of afnemen, zullen de hogere pensioenrechten zichzelf pijnlijk doen voelen. Tot de begrotingszaken die potentieel controversieel kunnen worden behoren de nog steeds zeer hoge jaarlijkse afdrachten aan de Neue Länder, de deelstaten van de vroegere DDR. Voor een regering die deze uitgaven om politieke, zo niet om andere, redenen zal moeten verdedigen tegen bezuinigingen zal het onmogelijk zijn nieuwe overdrachten te bepleiten bij de zuidelijke en zuidoostelijke lidstaten van de EU en de EMU, ongeacht of dit via Brussel of op bilaterale basis gebeurt. Daardoor zullen de Duitse mogelijkheden in Europa duidelijk verder worden beperkt, ook als het gaat om de verdediging van de gemeenschappelijke munt. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat dit de zwartrode coalitie zal destabiliseren, kan het van doorslaggevende betekenis zijn dat de deelstaten, die samen de helft van de overheidsuitgaven in Duitsland voor hun rekening nemen, het moeilijker zullen krijgen om hun financiën in de hand te houden als dat moet op de manier die door de geamendeerde federale grondwet wordt geëist. Toevallig kennen de meeste deelstaten vandaag de dag deels sociaaldemocratische coalities en zijn sommige minister-presidenten krachtige figuren binnen de SPD. Hen op een lijn brengen met het beleid van de federale regering wat begrotingsconsolidatie betreft zal een krachtige test zijn voor het nationale leiderschap van de SPD en de sociaaldemocratische kabinetsleden, die heel goed zou kunnen mislukken.

De derde en laatste van de drie cruciale kwesties voor de sociaaldemocraten onder de grote coalitie is het energievraagstuk. Toen Merkel het nucleaire tijdperk in Duitsland per decreet beëindigde tijdens de paniek na de ramp in het Japanse Fukushima verwezenlijkte ze met één pennenstreek de optie van een zwart-groene coalitie. Hiervoor kon ze op perverse wijze rekenen op de steun van de SPD, die zich lange tijd had geïdentificeerd met het antikernenergiestandpunt van de Groenen, ondanks aanzienlijke scepsis bij de vakbonden die bezorgd waren over de werkgelegenheid, en de deelstaatregeringen, vaak sociaaldemocratisch van signatuur, die zich zorgen maakten over een veilige energietoevoer. Toen het algemene enthousiasme voor de Energiewende was vervlogen en de enorme problemen van het op grote schaal vervangen van kernenergie door duurzame energie voelbaar werden, stond Merkel het energiebeleid op slimme wijze af aan de SPD door ermee in te stemmen het van het ministerie van Milieu over te hevelen naar het ministerie van Economische Zaken, dat de SPD voor haar partijleider had geclaimd. Gabriel zal nu diverse schier onoplosbare problemen tegelijk moeten aanpakken. In de eerste plaats zal hij oplossingen moeten zien te vinden om de stijging van de energieprijzen voor particuliere huishoudens een halt toe te roepen en wellicht terug te draaien. Die prijsstijging is veroorzaakt door de zware subsidiëring van duurzame energie. In de tweede plaats en tegelijkertijd zal hij het groene element binnen de SPD gerust moeten stellen dat hij niet bij Merkel achterop zal blijven als het gaat om het tempo en de reikwijdte van de Energiewende.

In de derde plaats is de Duitse industrie intussen bezorgder dan ooit over de stijgende energieprijzen. Bedrijven beginnen te denken aan het verplaatsen van hun productie naar landen waar de energie goedkoper is. Dezelfde angst wordt uitgesproken door de bonden in de industrie, vooral de vakbond van werknemers in de chemie, die ook de energiesector bestrijkt en waaronder de werknemers van kerncentrales vallen. In de vierde plaats is de Europese Unie in Brussel wantrouwig geworden over wat zij ziet als overheidssubsidies (‘staatshulp’ in het Brusselse jargon) voor de verlaging van de energiekosten van industriële ondernemingen in energieintensieve sectoren – die op hun beurt bang zijn dat Brussel hen van hun voordelen zal beroven. In de vijfde plaats keren de burgers, waaronder een deel dat het einde van de kernenergie had toegejuicht, zich tegen de aanlegvan nieuwe hoogspanningsnetwerken die nodig zijn voor het transport van windenergie van het noorden naar het zuiden van het land. Voor de sociaaldemocraten zal het voornaamste slagveld de detailhandelsprijs van elektriciteit voor huishoudens met lage inkomens zijn, gevolgd door de werkgelegenheid in de industrie- en de energiesector. Ongetwijfeld had Merkel redenen te over om de verantwoordelijkheid voor de Energiewende aan haar partner af te staan, nu de Groenen in de coulissen staan te wachten op het moment dat Gabriel de handdoek in de ring zal moeten gooien als gevolg van de toenemende druk van verschillende, onverenigbare belangen. Dat zou het begin van de zwart-groene coalitie kunnen inluiden.

(C) Leesmagazijn

Vertaling: Menno Grootveld

Foto: Armin Linnartz

Als onderdeel van de serie over Europees links heeft The Current Moment een artikel van Wolfgang Streeck gepubliceerd over de SPD onder het bondskanselierschap van Angela Merkel. Streeck is directeur van het Max Planck Instituut voor Gesellschaftsforschung in Keulen. Hij wordt in Duitsland en daarbuiten alom geprezen voor zijn werk op het gebied van desociologie en de politieke economie. Zijn meest recente boek, Gekaufte Zeit, komt in het najaar in Nederlandse vertaling uit bij Leesmagazijn.

Sinds het najaar van 2013 wordt Duitsland geregeerd door een grote coalitie van de christendemocratische CDU/CSU van bondskanselier Angela Merkel en de sociaaldemocratische SPD van partijleider Sigmar Gabriel. Dit samengaan van 'zwart' en 'rood' was niets anders dan de formalisering van de informele samenwerking na de eerste grote coalitie van de 21ste eeuw in 2009. Nu de oppositie in de Bondsdag is verpulverd tot een kleine, politiek versplinterde minderheid, lijkt het niet al te overdreven om te stellen dat de regering stevig in handen is van een centrumpartij van nationale eenheid waarin de twee voormalige Volksparteien vreedzaam zijn opgegaan. Het is opmerkelijk hoe tevreden de twee partijen zijn met hun hereniging, en hoe stabiel hun aandeel in de uitgebrachte stemmen sinds 2009 is gebleven: de CDU/CSU krijgt de steun van ongeveer 40 procent van de kiezers, terwijl de SPD blijft steken op zo'n 25 procent, een uitslag die in 2009 nog als catastrofaal werd gezien en werd toegeschreven aan het feit dat de partij de minderheidspartner in het kabinet van Merkel was geweest. Nu lijkt de SPD er vrede mee te hebben geen serieuze kandidaat voor het kanselierschap meer te zijn, zo niet voor altijd dan toch in ieder geval voor heel lang.

Er zijn diverse redenen voor de stabiliteit van de huidige machtsdeling – of beter gezegd: dit coöptatieregime – en de verwachting dat dit nog lange tijd zal standhouden. Angela Merkel lijkt de voorkeur te geven aan SPD boven de coalitiepartner van haar tweede termijn als bondskanselier, de FDP. Met de sociaaldemocraten aan boord loopt ze niet langer het risico door haar partij te worden gedwongen – of door haar hartstochten, als ze die al heeft, te worden verleid – de gevoelens van de gepensioneerden, de werklozen of de resterende cliënten van de verzorgingsstaat te krenken door neoliberale 'hervormingen' na te streven, althans in Duitsland. Terwijl de SPD minder vatbaar is voor electoraal politieke paniek, omdat zij zich (nog steeds) voldoende ver verwijderd weet van de vijfprocentsdrempel, zal de FDP misschien wel nooit meer herstellen van haar inzinking en verdwijnen in het niemandsland buiten de Bondsdag. Bovendien zijn er, als de SPD om de een of andere reden zou breken met Merkel, nu de Groenen die staan te trappelen om de plaats van de SPD als regeringspartner in te nemen – en de SPD weet dat. Nu ze na het teleurstellende verkiezingsresultaat van 2013 afscheid hebben genomen van hun oude leiders, zijn de Groenen nog steeds boos op zichzelf omdat ze Merkels uitnodiging voor coalitieonderhandelingen hebben afgewezen. Merkel kan nu kiezen tussen twee comfortabele meerderheden, een met de SPD en een met de Groenen, en de volgende keer wil ze misschien wel van partner ruilen eenmaal de SPD het vuile werk heeft opgeknapt met het herzien van de Energiewende, rekening houdend met de belangen van de Duitse exportsector en wellicht de particuliere huishoudens die te kampen hebben met steeds verder stijgende elektriciteitsprijzen. Meer daarover hieronder.

Intussen lijkt rood-groen-rood, een regering onder leiding van de SPD met de Groenen en de Linkspartij, als praktische mogelijkheid steeds verder uit beeld te verdwijnen. De Groenen, die uiteindelijk hun linkse neigingen hebben laten varen, zullen niet toestaan dat hun mogelijke deelname aan een regering waarvan ook Die Linke deel uitmaakt ten koste gaat van hun nieuwe imago van een door en door bürgerliche middenpartij met een sociaal-progressieve en ecologisch bewuste agenda. En hoewel de Linkspartij hard haar best heeft gedaan om zichzelf af te schilderen als een stabiele steunpilaar van ‘Europa’ – dat in Duitsland nu wordt gelijkgesteld aan de euro – zal haar sympathie voor Rusland in de crisis rond Oekraïne haar nog meer tot een buitenbeentje in de Duitse partijpolitiek maken, niet in de laatste plaats dankzij de aanhoudende verkettering door de SPD. Binnen de SPD heeft Sigmar Gabriel, de partijleider en minister van Economische Zaken, de controle nu volledig in handen. Dit komt niet in de laatste plaats doordat Merkel, door belangrijke concessies te doen tijdens de coalitieonderhandelingen, waaronder een onevenredig grote vertegenwoordiging van SPD-ministers in het kabinet, het hem makkelijker heeft gemaakt de verpletterende nederlaag te vergeten die de partij in 2013 onder zijn leiderschap heeft geleden. Bovendien is Gabriels kandidaatkanselier Peer Steinbrück al twee of drie dagen na de verkiezingen op wonderbaarlijke wijze in het niets verdwenen, alsof hij nooit had bestaan; niemand heeft sindsdien nog van hem vernomen. Frank-Walter Steinmeier, Gabriels tweede voormalige rivaal, is blij dat hij weer minister van Buitenlandse Zaken mag zijn, een post die hij al tijdens de eerste grote coalitie tussen 2005 en 2009 bekleedde, waarna de partij zo onder de indruk van hem was dat zij hem – met desastreuze gevolgen – tot kandidaat-bondskanselier bombardeerde.

Het bondgenootschap van Gabriel met Angela Merkel heeft hem in staat gesteld de kloof tussen de SPD en de vakbonden te dichten, via twee beleidsconcessies die hij bij de CDU/CSU heeft bedongen. De eerste betreft de invoering van een algemeen minimumloon, de tweede een feitelijke verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd voor een selecte groep werknemers. Beide maatregelen zijn weliswaar nog steeds niet rond en de details worden betwist tussen de SPD en facties binnen de CDU/CSU, maar de bondskanselier houdt zoals je zou verwachten stevig vast aan de coalitieovereenkomst en het lijdt geen twijfel dat de twee maatregelen uiteindelijk in een of andere vorm zullen worden bekrachtigd. De voorgeschiedenis van de op handen zijnde wetgeving rond het minimumloon is overigens nogal curieus. Lange tijd hebben de vakbonden zich verzet tegen iedere wettelijke regulering van de lage lonen, om de collectieve salarisonderhandelingen te beschermen. De eerste die de gesloten gelederen doorbrak was de vakbond voor de dienstensector, Verdi, die na de hervormingen van de arbeidsmarkt de controle over de onderkant daarvan was kwijtgeraakt. Na een paar jaar ging ook IG Metall, nog steeds de sterkste vakbond, overstag. Dit had al veel eerder kunnen gebeuren omdat zij praktisch geen laagbetaalden vertegenwoordigt. Nu kan de SPD met het wettelijk minimumloon zwaaien als een eerbetoon aan de vakbonden en als een teken dat de sociaaldemocratische regeringsdeelname echte voordelen voor de werknemers met zich meebrengt – wat in dit geval eigenlijk nog waar is ook.

Ook de pensioenhervormingen dienen om de betrekkingen met de bonden te repareren. Onder de eerste grote coalitie heeft de toenmalige SPD-leider en minister van Arbeid, Franz Müntefering, bijna in zijn eentje de pensioengerechtigde leeftijd opgetrokken naar zevenenzestig jaar, waarbij de SPD werd gepasseerd in wat neerkwam op een soort coup d'état met de steun van Merkel. De nieuwe wet maakt het mogelijk dat werknemers met een arbeidsverleden van vijfenveertig jaar - inclusief perioden van werkloosheid - op hun drieënzestigste met pensioen gaan, met volledig behoud van rechten. De zaak is ingewikkelder dan het lijkt en complexer dan de pleitbezorgers en criticasters ervan haar willen doen lijken. Het is waar dat de wet vooral in het voordeel is van de mannelijke handarbeiders die de kerngroep van het ledenbestand van de vakbonden vormen. In ruil daarvoor heeft de SPD een nog duurdere pensioenverhoging geslikt voor moeders met kinderen die vóór 1992 geboren zijn, wat een lievelingsproject was en is van de christendemocraten in hun pogingen om de vrouwelijke stem terug te winnen. Net als tegen het minimumloon hebben veel Duitse economen zich met hand en tand verzet tegen beide pensioenhervormingen. Zij vormen een neoliberale monocultuur die een verbazingwekkende interne conformiteit tentoonspreidt en voorspelbaar gekant is tegen alles wat ook maar enigszins sociaaldemocratisch lijkt.

Naast de wetgeving over het minimumloon en de pensioenhervormingen zullen met name drie kwesties de agenda van de grote coalitie bepalen. Uiteindelijk zullen zij beslissen op welke constellatie van politieke krachten de vierde termijn van Merkel – niemand twijfelt er in alle ernst aan dat zij die wil en zal krijgen – gebaseerd zal zijn. De eerste van deze kwesties is Europa. Op dit punt is de SPD het altijd eens geweest met Merkel, zowel binnen als buiten de regering. Het is waar dat de partij zo nu en dan anti- Merkel-retoriek heeft ingezet om het euro-idealistische deel van de middenklasse naar zich toe te trekken, zoals dat vooral door de Groenen wordt vertegenwoordigd. In die zin heeft Gabriel vóór de verkiezingen van 2013 diverse pogingen gedaan om de steun te verwerven van intellectuelen als Jürgen Habermas, om wat hij presenteerde als een sociaaldemocratisch alternatief voor Merkels Europa-beleid. De boodschap, zij het meestal gecodeerd en heel subtiel, was dat Merkel minder deed dan nodig was om het lijden in het zuiden te verzachten. Maar het enige praktische gevolg - als dat er al was – was dat Merkel won en de SPD verloor door toedoen van degenen die bang waren dat ‘Europa’ te duur zou worden. Het lijkt erop dat dit de reden was dat Merkel het niet nodig vond wraakzuchtig te zijn naar aanleiding van de sociaaldemocratische aanvallen.

Toen de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen begonnen, was de eerste overeenkomst die al op de allereerste dag lijkt te zijn gesloten dat de SPD de europeanisering van de staatsschulden (‘eurobonds’) heeft laten vallen, die de Groenen en de progressieve middenklassen zo dierbaar was, in ruil voor de instemming van de CDU met het wettelijk minimumloon. Zowel de CDU/CSU als de SPD weten dat meer dan symbolische hulp voor de crisislanden hen bij verkiezingen duur komt te staan, hoewel de SPD – tot grote opluchting van Merkel – voor het ‘progressieve’ deel van haar aanhang wel heeft moeten voorwenden daar niet van onder de indruk te zijn. In werkelijkheid vormen Merkel, Schäuble, Gabriel, Steinmeier en de reeds vergeten Steinbrück al lang een Einheitsfront, in de wetenschap dat ze de euro tegen iedere prijs moeten verdedigen, omdat die de levenslijn van de Duitse exportsector is, niet alleen voor de werkgevers maar ook voor de vakbonden. Voor de Duitse economie betekent de Europese Monetaire Unie een gunstige wisselkoers plus vaste prijzen voor de Duitse producten op de gesloten ‘interne markt’ die tegen politieke ontwrichting door een herschikking van nationale munten is beschermd. De Duitse politieke klasse weet dat hier op een bepaald punt voor zal moeten worden betaald, maar zij is vastbesloten die prijs zo laag mogelijk en voor haar kiezers zo onzichtbaar mogelijk te houden. Eén manier om dit te doen is aandringen op ‘hervormingen’ in de schuldenlanden, een andere het bieden van financiële steun aan sociale programma's in Griekenland of Spanje die klein genoeg zijn om geen deuk te slaan in de Duitse overheidsfinanciën, maar ook geen invloed hebben op de ellende in het zuiden. Veel belangrijker is de stilzwijgende steun van zowel de CDU als de SPD voor de diverse geheime maatregelen van de Europese Centrale Bank om de noodlijdende Zuid- Europese banken te hulp te schieten en de schuld van de mediterrane staten te herfinancieren, ondanks het verbod daarop in het Verdrag van Maastricht. Terwijl de christendemocraten pretenderen van niets te weten, zijn de sociaaldemocraten uit op de lof van hun pro-Europese aanhangers omdat ze de ‘noodmaatregelen’ van de ECB niet hebben gedwarsboomd.

De zogenoemde ‘Europese verkiezingen’ werden op twee niet direct verenigbare manieren, op hetzelfde moment en door dezelfde spelers, officieel in de Duitse politiek ingekaderd. In de eerste plaats werden ze afgeschilderd als een manicheïstische strijd tussen de ‘goede Europeanen’ van het Einheitsfront van CDU/CSU/SPD/Groenen/FDP en de ‘vijanden van Europa’ - de ‘Anti-Europeanen’, vooral vertegenwoordigd door een nieuwe centrum-rechtse partij, AfD, die was gevormd om het einde van de monetaire unie te eisen. Tijdens de verkiezingscampagne zijn alle controversiële punten tussen de huidige regeringspartijen, waarvan de meeste sowieso pseudo-controversieel waren, weggemoffeld (er werd geen gewag meer gemaakt van ‘eurobonds’), net zoals op Europees niveau alle cruciale besluiten werden uitgesteld (zoals de bankenunie en de diverse aanvullende ‘reddingsoperaties’ die deze zal vergen). De gemeenschappelijke doelstellingen van de christendemocraten en de sociaaldemocraten waren een hogere kiezersopkomst en het zo klein mogelijk houden van de AfD. Beide doelstellingen werden deels verwezenlijkt doordat de 7,0 procent van de AfD lager was dan de proteststem in veel andere landen en de opkomst voor het eerst sinds decennia bij een nationale verkiezing omhoog is gegaan, van 43,3 naar 48,1 procent.

In de tweede plaats werd de verkiezing tegelijkertijd voorgesteld als een competitie tussen twee individuen, beiden Europese functionarissen met een respectabele staat van dienst en niet van elkaar te onderscheiden Europese overtuigingen, die in heel Europa namens hun respectievelijke ‘partijfamilies’ de strijd aangingen om het voorzitterschap van de Europese Commissie: de Luxemburgse christendemocraat Jean-Claude Juncker en de Duitse sociaaldemocraat Martin Schulz. Merkel had haar partij min of meer vol enthousiasme toegestaan aan deze komedie mee te doen, blijkbaar op voorwaarde dat zijzelf en niet Juncker op de verkiezingsposters van de CDU zou staan. De SPD stond er daarentegen op dat de ‘winnaar’ van deze wedstrijd tot commissievoorzitter moest worden benoemd, ook al kan er in de Europese verdragen niets daaromtrent worden aangetroffen en had Schulz nooit een reële kans om een meerderheid in het parlement achter zich te krijgen. Opmerkelijk genoeg heeft de SPD Schulz de hele campagne door gepresenteerd onder de slogan ‘Uit Duitsland, voor Europa’, in duidelijke tegenspraak met de pan-Europese retoriek waarvan Schulz zich buiten zijn geboorteland bediende. Het nationalistische kader waarin de sociaaldemocratische ‘Europese’ kandidaat werd aangeprezen heeft zich goed uitbetaald. Terwijl de christendemocraten 2,6 procentpunt inleverden en op 35,3 procent uitkwamen, won de SPD 6,5 procentpunt (ten opzichte van de 20,8 procent uit 2009, wat het slechtste resultaat ooit was voor de partij), om op 27,3 procent uit te komen.

Nu de verkiezingen voorbij zijn, is het weer de beurt van de Europese Raad, de vertegenwoordiging van de nationale overheden, wat vandaag de dag in principe de beurt van Angela Merkel betekent. Als ze dat wil kan ze nu als de informele leider optreden van haar ‘partijfamilie’ en proberen Juncker als Commissievoorzitter te installeren. Voor de vereiste meerderheid in het Europees Parlement heeft ze de steun van de sociaaldemocraten nodig, die ze zou kunnen krijgen als ze Schulz een post aanbiedt als Commissielid, misschien als vice-president. Dit zou ze kunnen doen door de zittende Duitse eurocommissaris te offeren, een vroegere christendemocratische minister-president van de deelstaat Baden-Württemberg die – heel plezierig – toevallig ook tegen het anti-nucleaire energiebeleid van Merkel is. Het sturen van Schulz naar Brussel als vertegenwoordiger van Duitsland zou Merkels Duitse coalitiepartner gelukkig maken: niet alleen zou de Duitse grote coalitie erdoor naar Europees niveau worden getild – waar christendemocraten en sociaaldemocraten altijd al nauw hebben samengewerkt –, de SPD had bij de coalitieonderhandelingen ook de Duitse post in de Commissie opgeëist, zonder dat beide kampen tot overeenstemming waren gekomen. Bovendien zou een benoeming van Schulz op nuttige wijze aantonen, mocht dat nog nodig zijn, dat Merkel weet hoe zij ongehoorzame leden van haar kamp moet afstraffen. Merkel zou ook, na een korte periode van besluiteloosheid, de verkiezingsresultaten gewoon kunnen negeren en een Commissievoorzitter kunnen benoemen die de goedkeuring van de Britten kan wegdragen, waardoor zowel Juncker als Schulz buitenspel zouden komen te staan. Dit zou een positief signaal zijn voor diegenen in Europa, en niet alleen in Engeland, die graag zouden zien dat er bevoegdheden door Brussel aan de natiestaten worden teruggegeven. In het bijzonder zou het een goede voorbereiding zijn voor de komende onderhandelingen met Londen over een herziening van de Europese verdragen langs deze lijnen. Het lijkt erop dat Duitsland er belang bij heeft Groot-Brittannië binnen de EU te houden, al was het maar als verzekering tegen al te ambitieuze integratieprojecten zoals die waarschijnlijk vanuit de zuidelijke lidstaten zullen worden gelanceerd en vanuit Duits gezichtspunt behoorlijk duur zouden kunnen zijn. Uiteindelijk zal de SPD, die immers het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken bestiert, hier - misschien na wat publiekelijk gemopper – waarschijnlijk wel akkoord mee gaan, zoals de partij dat altijd heeft gedaan.

De tweede kwestie die de SPD op een of andere manier de baas moet zien te worden is de implementatie van het amendement op de grondwet over een evenwichtige begroting, uitgerekt over een periode van ruim tien jaar, dat onder de eerste grote coalitie onder Merkel in 2009 is aangenomen. Omdat de CDU/CSU en de SPD het amendement samen hebben ingebracht, zal het voor beide partijen moeilijk zijn ervan af te wijken. Aan de andere kant kunnen er, ook al is de taal waarin het is opgesteld buitengewoon gedetailleerd en technisch waardoor het amendement volledig onleesbaar is geworden voor een algemeen publiek, altijd gaten worden gevonden om de bezuinigingen indien nodig te verzachten. Zolang de algemene economische situatie in Duitsland zo goed blijft als zij nu is, zal de consolidatie van de overheidsfinanciën, die al is begonnen, slechts weinig pijn veroorzaken en kan het in evenwicht brengen van de begroting een gezamenlijke onderneming blijven. Maar de pensioenhervormingen van 2014 waren al in strijd met de geest van de bezuinigingen waaronder de Schuldenbremse tot stand was gekomen, en op het moment dat de belastinginkomsten gaan stagneren of afnemen, zullen de hogere pensioenrechten zichzelf pijnlijk doen voelen. Tot de begrotingszaken die potentieel controversieel kunnen worden behoren de nog steeds zeer hoge jaarlijkse afdrachten aan de Neue Länder, de deelstaten van de vroegere DDR. Voor een regering die deze uitgaven om politieke, zo niet om andere, redenen zal moeten verdedigen tegen bezuinigingen zal het onmogelijk zijn nieuwe overdrachten te bepleiten bij de zuidelijke en zuidoostelijke lidstaten van de EU en de EMU, ongeacht of dit via Brussel of op bilaterale basis gebeurt. Daardoor zullen de Duitse mogelijkheden in Europa duidelijk verder worden beperkt, ook als het gaat om de verdediging van de gemeenschappelijke munt. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat dit de zwartrode coalitie zal destabiliseren, kan het van doorslaggevende betekenis zijn dat de deelstaten, die samen de helft van de overheidsuitgaven in Duitsland voor hun rekening nemen, het moeilijker zullen krijgen om hun financiën in de hand te houden als dat moet op de manier die door de geamendeerde federale grondwet wordt geëist. Toevallig kennen de meeste deelstaten vandaag de dag deels sociaaldemocratische coalities en zijn sommige minister-presidenten krachtige figuren binnen de SPD. Hen op een lijn brengen met het beleid van de federale regering wat begrotingsconsolidatie betreft zal een krachtige test zijn voor het nationale leiderschap van de SPD en de sociaaldemocratische kabinetsleden, die heel goed zou kunnen mislukken.

De derde en laatste van de drie cruciale kwesties voor de sociaaldemocraten onder de grote coalitie is het energievraagstuk. Toen Merkel het nucleaire tijdperk in Duitsland per decreet beëindigde tijdens de paniek na de ramp in het Japanse Fukushima verwezenlijkte ze met één pennenstreek de optie van een zwart-groene coalitie. Hiervoor kon ze op perverse wijze rekenen op de steun van de SPD, die zich lange tijd had geïdentificeerd met het antikernenergiestandpunt van de Groenen, ondanks aanzienlijke scepsis bij de vakbonden die bezorgd waren over de werkgelegenheid, en de deelstaatregeringen, vaak sociaaldemocratisch van signatuur, die zich zorgen maakten over een veilige energietoevoer. Toen het algemene enthousiasme voor de Energiewende was vervlogen en de enorme problemen van het op grote schaal vervangen van kernenergie door duurzame energie voelbaar werden, stond Merkel het energiebeleid op slimme wijze af aan de SPD door ermee in te stemmen het van het ministerie van Milieu over te hevelen naar het ministerie van Economische Zaken, dat de SPD voor haar partijleider had geclaimd. Gabriel zal nu diverse schier onoplosbare problemen tegelijk moeten aanpakken. In de eerste plaats zal hij oplossingen moeten zien te vinden om de stijging van de energieprijzen voor particuliere huishoudens een halt toe te roepen en wellicht terug te draaien. Die prijsstijging is veroorzaakt door de zware subsidiëring van duurzame energie. In de tweede plaats en tegelijkertijd zal hij het groene element binnen de SPD gerust moeten stellen dat hij niet bij Merkel achterop zal blijven als het gaat om het tempo en de reikwijdte van de Energiewende.

In de derde plaats is de Duitse industrie intussen bezorgder dan ooit over de stijgende energieprijzen. Bedrijven beginnen te denken aan het verplaatsen van hun productie naar landen waar de energie goedkoper is. Dezelfde angst wordt uitgesproken door de bonden in de industrie, vooral de vakbond van werknemers in de chemie, die ook de energiesector bestrijkt en waaronder de werknemers van kerncentrales vallen. In de vierde plaats is de Europese Unie in Brussel wantrouwig geworden over wat zij ziet als overheidssubsidies (‘staatshulp’ in het Brusselse jargon) voor de verlaging van de energiekosten van industriële ondernemingen in energieintensieve sectoren – die op hun beurt bang zijn dat Brussel hen van hun voordelen zal beroven. In de vijfde plaats keren de burgers, waaronder een deel dat het einde van de kernenergie had toegejuicht, zich tegen de aanlegvan nieuwe hoogspanningsnetwerken die nodig zijn voor het transport van windenergie van het noorden naar het zuiden van het land. Voor de sociaaldemocraten zal het voornaamste slagveld de detailhandelsprijs van elektriciteit voor huishoudens met lage inkomens zijn, gevolgd door de werkgelegenheid in de industrie- en de energiesector. Ongetwijfeld had Merkel redenen te over om de verantwoordelijkheid voor de Energiewende aan haar partner af te staan, nu de Groenen in de coulissen staan te wachten op het moment dat Gabriel de handdoek in de ring zal moeten gooien als gevolg van de toenemende druk van verschillende, onverenigbare belangen. Dat zou het begin van de zwart-groene coalitie kunnen inluiden.

(C) Leesmagazijn

Vertaling: Menno Grootveld

Foto: Armin Linnartz

Als onderdeel van de serie over Europees links heeft The Current Moment een artikel van Wolfgang Streeck gepubliceerd over de SPD onder het bondskanselierschap van Angela Merkel. Streeck is directeur van het Max Planck Instituut voor Gesellschaftsforschung in Keulen. Hij wordt in Duitsland en daarbuiten alom geprezen voor zijn werk op het gebied van desociologie en de politieke economie. Zijn meest recente boek, Gekaufte Zeit, komt in het najaar in Nederlandse vertaling uit bij Leesmagazijn.

Sinds het najaar van 2013 wordt Duitsland geregeerd door een grote coalitie van de christendemocratische CDU/CSU van bondskanselier Angela Merkel en de sociaaldemocratische SPD van partijleider Sigmar Gabriel. Dit samengaan van 'zwart' en 'rood' was niets anders dan de formalisering van de informele samenwerking na de eerste grote coalitie van de 21ste eeuw in 2009. Nu de oppositie in de Bondsdag is verpulverd tot een kleine, politiek versplinterde minderheid, lijkt het niet al te overdreven om te stellen dat de regering stevig in handen is van een centrumpartij van nationale eenheid waarin de twee voormalige Volksparteien vreedzaam zijn opgegaan. Het is opmerkelijk hoe tevreden de twee partijen zijn met hun hereniging, en hoe stabiel hun aandeel in de uitgebrachte stemmen sinds 2009 is gebleven: de CDU/CSU krijgt de steun van ongeveer 40 procent van de kiezers, terwijl de SPD blijft steken op zo'n 25 procent, een uitslag die in 2009 nog als catastrofaal werd gezien en werd toegeschreven aan het feit dat de partij de minderheidspartner in het kabinet van Merkel was geweest. Nu lijkt de SPD er vrede mee te hebben geen serieuze kandidaat voor het kanselierschap meer te zijn, zo niet voor altijd dan toch in ieder geval voor heel lang.

Er zijn diverse redenen voor de stabiliteit van de huidige machtsdeling – of beter gezegd: dit coöptatieregime – en de verwachting dat dit nog lange tijd zal standhouden. Angela Merkel lijkt de voorkeur te geven aan SPD boven de coalitiepartner van haar tweede termijn als bondskanselier, de FDP. Met de sociaaldemocraten aan boord loopt ze niet langer het risico door haar partij te worden gedwongen – of door haar hartstochten, als ze die al heeft, te worden verleid – de gevoelens van de gepensioneerden, de werklozen of de resterende cliënten van de verzorgingsstaat te krenken door neoliberale 'hervormingen' na te streven, althans in Duitsland. Terwijl de SPD minder vatbaar is voor electoraal politieke paniek, omdat zij zich (nog steeds) voldoende ver verwijderd weet van de vijfprocentsdrempel, zal de FDP misschien wel nooit meer herstellen van haar inzinking en verdwijnen in het niemandsland buiten de Bondsdag. Bovendien zijn er, als de SPD om de een of andere reden zou breken met Merkel, nu de Groenen die staan te trappelen om de plaats van de SPD als regeringspartner in te nemen – en de SPD weet dat. Nu ze na het teleurstellende verkiezingsresultaat van 2013 afscheid hebben genomen van hun oude leiders, zijn de Groenen nog steeds boos op zichzelf omdat ze Merkels uitnodiging voor coalitieonderhandelingen hebben afgewezen. Merkel kan nu kiezen tussen twee comfortabele meerderheden, een met de SPD en een met de Groenen, en de volgende keer wil ze misschien wel van partner ruilen eenmaal de SPD het vuile werk heeft opgeknapt met het herzien van de Energiewende, rekening houdend met de belangen van de Duitse exportsector en wellicht de particuliere huishoudens die te kampen hebben met steeds verder stijgende elektriciteitsprijzen. Meer daarover hieronder.

Intussen lijkt rood-groen-rood, een regering onder leiding van de SPD met de Groenen en de Linkspartij, als praktische mogelijkheid steeds verder uit beeld te verdwijnen. De Groenen, die uiteindelijk hun linkse neigingen hebben laten varen, zullen niet toestaan dat hun mogelijke deelname aan een regering waarvan ook Die Linke deel uitmaakt ten koste gaat van hun nieuwe imago van een door en door bürgerliche middenpartij met een sociaal-progressieve en ecologisch bewuste agenda. En hoewel de Linkspartij hard haar best heeft gedaan om zichzelf af te schilderen als een stabiele steunpilaar van ‘Europa’ – dat in Duitsland nu wordt gelijkgesteld aan de euro – zal haar sympathie voor Rusland in de crisis rond Oekraïne haar nog meer tot een buitenbeentje in de Duitse partijpolitiek maken, niet in de laatste plaats dankzij de aanhoudende verkettering door de SPD. Binnen de SPD heeft Sigmar Gabriel, de partijleider en minister van Economische Zaken, de controle nu volledig in handen. Dit komt niet in de laatste plaats doordat Merkel, door belangrijke concessies te doen tijdens de coalitieonderhandelingen, waaronder een onevenredig grote vertegenwoordiging van SPD-ministers in het kabinet, het hem makkelijker heeft gemaakt de verpletterende nederlaag te vergeten die de partij in 2013 onder zijn leiderschap heeft geleden. Bovendien is Gabriels kandidaatkanselier Peer Steinbrück al twee of drie dagen na de verkiezingen op wonderbaarlijke wijze in het niets verdwenen, alsof hij nooit had bestaan; niemand heeft sindsdien nog van hem vernomen. Frank-Walter Steinmeier, Gabriels tweede voormalige rivaal, is blij dat hij weer minister van Buitenlandse Zaken mag zijn, een post die hij al tijdens de eerste grote coalitie tussen 2005 en 2009 bekleedde, waarna de partij zo onder de indruk van hem was dat zij hem – met desastreuze gevolgen – tot kandidaat-bondskanselier bombardeerde.

Het bondgenootschap van Gabriel met Angela Merkel heeft hem in staat gesteld de kloof tussen de SPD en de vakbonden te dichten, via twee beleidsconcessies die hij bij de CDU/CSU heeft bedongen. De eerste betreft de invoering van een algemeen minimumloon, de tweede een feitelijke verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd voor een selecte groep werknemers. Beide maatregelen zijn weliswaar nog steeds niet rond en de details worden betwist tussen de SPD en facties binnen de CDU/CSU, maar de bondskanselier houdt zoals je zou verwachten stevig vast aan de coalitieovereenkomst en het lijdt geen twijfel dat de twee maatregelen uiteindelijk in een of andere vorm zullen worden bekrachtigd. De voorgeschiedenis van de op handen zijnde wetgeving rond het minimumloon is overigens nogal curieus. Lange tijd hebben de vakbonden zich verzet tegen iedere wettelijke regulering van de lage lonen, om de collectieve salarisonderhandelingen te beschermen. De eerste die de gesloten gelederen doorbrak was de vakbond voor de dienstensector, Verdi, die na de hervormingen van de arbeidsmarkt de controle over de onderkant daarvan was kwijtgeraakt. Na een paar jaar ging ook IG Metall, nog steeds de sterkste vakbond, overstag. Dit had al veel eerder kunnen gebeuren omdat zij praktisch geen laagbetaalden vertegenwoordigt. Nu kan de SPD met het wettelijk minimumloon zwaaien als een eerbetoon aan de vakbonden en als een teken dat de sociaaldemocratische regeringsdeelname echte voordelen voor de werknemers met zich meebrengt – wat in dit geval eigenlijk nog waar is ook.

Ook de pensioenhervormingen dienen om de betrekkingen met de bonden te repareren. Onder de eerste grote coalitie heeft de toenmalige SPD-leider en minister van Arbeid, Franz Müntefering, bijna in zijn eentje de pensioengerechtigde leeftijd opgetrokken naar zevenenzestig jaar, waarbij de SPD werd gepasseerd in wat neerkwam op een soort coup d'état met de steun van Merkel. De nieuwe wet maakt het mogelijk dat werknemers met een arbeidsverleden van vijfenveertig jaar - inclusief perioden van werkloosheid - op hun drieënzestigste met pensioen gaan, met volledig behoud van rechten. De zaak is ingewikkelder dan het lijkt en complexer dan de pleitbezorgers en criticasters ervan haar willen doen lijken. Het is waar dat de wet vooral in het voordeel is van de mannelijke handarbeiders die de kerngroep van het ledenbestand van de vakbonden vormen. In ruil daarvoor heeft de SPD een nog duurdere pensioenverhoging geslikt voor moeders met kinderen die vóór 1992 geboren zijn, wat een lievelingsproject was en is van de christendemocraten in hun pogingen om de vrouwelijke stem terug te winnen. Net als tegen het minimumloon hebben veel Duitse economen zich met hand en tand verzet tegen beide pensioenhervormingen. Zij vormen een neoliberale monocultuur die een verbazingwekkende interne conformiteit tentoonspreidt en voorspelbaar gekant is tegen alles wat ook maar enigszins sociaaldemocratisch lijkt.

Naast de wetgeving over het minimumloon en de pensioenhervormingen zullen met name drie kwesties de agenda van de grote coalitie bepalen. Uiteindelijk zullen zij beslissen op welke constellatie van politieke krachten de vierde termijn van Merkel – niemand twijfelt er in alle ernst aan dat zij die wil en zal krijgen – gebaseerd zal zijn. De eerste van deze kwesties is Europa. Op dit punt is de SPD het altijd eens geweest met Merkel, zowel binnen als buiten de regering. Het is waar dat de partij zo nu en dan anti- Merkel-retoriek heeft ingezet om het euro-idealistische deel van de middenklasse naar zich toe te trekken, zoals dat vooral door de Groenen wordt vertegenwoordigd. In die zin heeft Gabriel vóór de verkiezingen van 2013 diverse pogingen gedaan om de steun te verwerven van intellectuelen als Jürgen Habermas, om wat hij presenteerde als een sociaaldemocratisch alternatief voor Merkels Europa-beleid. De boodschap, zij het meestal gecodeerd en heel subtiel, was dat Merkel minder deed dan nodig was om het lijden in het zuiden te verzachten. Maar het enige praktische gevolg - als dat er al was – was dat Merkel won en de SPD verloor door toedoen van degenen die bang waren dat ‘Europa’ te duur zou worden. Het lijkt erop dat dit de reden was dat Merkel het niet nodig vond wraakzuchtig te zijn naar aanleiding van de sociaaldemocratische aanvallen.

Toen de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen begonnen, was de eerste overeenkomst die al op de allereerste dag lijkt te zijn gesloten dat de SPD de europeanisering van de staatsschulden (‘eurobonds’) heeft laten vallen, die de Groenen en de progressieve middenklassen zo dierbaar was, in ruil voor de instemming van de CDU met het wettelijk minimumloon. Zowel de CDU/CSU als de SPD weten dat meer dan symbolische hulp voor de crisislanden hen bij verkiezingen duur komt te staan, hoewel de SPD – tot grote opluchting van Merkel – voor het ‘progressieve’ deel van haar aanhang wel heeft moeten voorwenden daar niet van onder de indruk te zijn. In werkelijkheid vormen Merkel, Schäuble, Gabriel, Steinmeier en de reeds vergeten Steinbrück al lang een Einheitsfront, in de wetenschap dat ze de euro tegen iedere prijs moeten verdedigen, omdat die de levenslijn van de Duitse exportsector is, niet alleen voor de werkgevers maar ook voor de vakbonden. Voor de Duitse economie betekent de Europese Monetaire Unie een gunstige wisselkoers plus vaste prijzen voor de Duitse producten op de gesloten ‘interne markt’ die tegen politieke ontwrichting door een herschikking van nationale munten is beschermd. De Duitse politieke klasse weet dat hier op een bepaald punt voor zal moeten worden betaald, maar zij is vastbesloten die prijs zo laag mogelijk en voor haar kiezers zo onzichtbaar mogelijk te houden. Eén manier om dit te doen is aandringen op ‘hervormingen’ in de schuldenlanden, een andere het bieden van financiële steun aan sociale programma's in Griekenland of Spanje die klein genoeg zijn om geen deuk te slaan in de Duitse overheidsfinanciën, maar ook geen invloed hebben op de ellende in het zuiden. Veel belangrijker is de stilzwijgende steun van zowel de CDU als de SPD voor de diverse geheime maatregelen van de Europese Centrale Bank om de noodlijdende Zuid- Europese banken te hulp te schieten en de schuld van de mediterrane staten te herfinancieren, ondanks het verbod daarop in het Verdrag van Maastricht. Terwijl de christendemocraten pretenderen van niets te weten, zijn de sociaaldemocraten uit op de lof van hun pro-Europese aanhangers omdat ze de ‘noodmaatregelen’ van de ECB niet hebben gedwarsboomd.

De zogenoemde ‘Europese verkiezingen’ werden op twee niet direct verenigbare manieren, op hetzelfde moment en door dezelfde spelers, officieel in de Duitse politiek ingekaderd. In de eerste plaats werden ze afgeschilderd als een manicheïstische strijd tussen de ‘goede Europeanen’ van het Einheitsfront van CDU/CSU/SPD/Groenen/FDP en de ‘vijanden van Europa’ - de ‘Anti-Europeanen’, vooral vertegenwoordigd door een nieuwe centrum-rechtse partij, AfD, die was gevormd om het einde van de monetaire unie te eisen. Tijdens de verkiezingscampagne zijn alle controversiële punten tussen de huidige regeringspartijen, waarvan de meeste sowieso pseudo-controversieel waren, weggemoffeld (er werd geen gewag meer gemaakt van ‘eurobonds’), net zoals op Europees niveau alle cruciale besluiten werden uitgesteld (zoals de bankenunie en de diverse aanvullende ‘reddingsoperaties’ die deze zal vergen). De gemeenschappelijke doelstellingen van de christendemocraten en de sociaaldemocraten waren een hogere kiezersopkomst en het zo klein mogelijk houden van de AfD. Beide doelstellingen werden deels verwezenlijkt doordat de 7,0 procent van de AfD lager was dan de proteststem in veel andere landen en de opkomst voor het eerst sinds decennia bij een nationale verkiezing omhoog is gegaan, van 43,3 naar 48,1 procent.

In de tweede plaats werd de verkiezing tegelijkertijd voorgesteld als een competitie tussen twee individuen, beiden Europese functionarissen met een respectabele staat van dienst en niet van elkaar te onderscheiden Europese overtuigingen, die in heel Europa namens hun respectievelijke ‘partijfamilies’ de strijd aangingen om het voorzitterschap van de Europese Commissie: de Luxemburgse christendemocraat Jean-Claude Juncker en de Duitse sociaaldemocraat Martin Schulz. Merkel had haar partij min of meer vol enthousiasme toegestaan aan deze komedie mee te doen, blijkbaar op voorwaarde dat zijzelf en niet Juncker op de verkiezingsposters van de CDU zou staan. De SPD stond er daarentegen op dat de ‘winnaar’ van deze wedstrijd tot commissievoorzitter moest worden benoemd, ook al kan er in de Europese verdragen niets daaromtrent worden aangetroffen en had Schulz nooit een reële kans om een meerderheid in het parlement achter zich te krijgen. Opmerkelijk genoeg heeft de SPD Schulz de hele campagne door gepresenteerd onder de slogan ‘Uit Duitsland, voor Europa’, in duidelijke tegenspraak met de pan-Europese retoriek waarvan Schulz zich buiten zijn geboorteland bediende. Het nationalistische kader waarin de sociaaldemocratische ‘Europese’ kandidaat werd aangeprezen heeft zich goed uitbetaald. Terwijl de christendemocraten 2,6 procentpunt inleverden en op 35,3 procent uitkwamen, won de SPD 6,5 procentpunt (ten opzichte van de 20,8 procent uit 2009, wat het slechtste resultaat ooit was voor de partij), om op 27,3 procent uit te komen.

Nu de verkiezingen voorbij zijn, is het weer de beurt van de Europese Raad, de vertegenwoordiging van de nationale overheden, wat vandaag de dag in principe de beurt van Angela Merkel betekent. Als ze dat wil kan ze nu als de informele leider optreden van haar ‘partijfamilie’ en proberen Juncker als Commissievoorzitter te installeren. Voor de vereiste meerderheid in het Europees Parlement heeft ze de steun van de sociaaldemocraten nodig, die ze zou kunnen krijgen als ze Schulz een post aanbiedt als Commissielid, misschien als vice-president. Dit zou ze kunnen doen door de zittende Duitse eurocommissaris te offeren, een vroegere christendemocratische minister-president van de deelstaat Baden-Württemberg die – heel plezierig – toevallig ook tegen het anti-nucleaire energiebeleid van Merkel is. Het sturen van Schulz naar Brussel als vertegenwoordiger van Duitsland zou Merkels Duitse coalitiepartner gelukkig maken: niet alleen zou de Duitse grote coalitie erdoor naar Europees niveau worden getild – waar christendemocraten en sociaaldemocraten altijd al nauw hebben samengewerkt –, de SPD had bij de coalitieonderhandelingen ook de Duitse post in de Commissie opgeëist, zonder dat beide kampen tot overeenstemming waren gekomen. Bovendien zou een benoeming van Schulz op nuttige wijze aantonen, mocht dat nog nodig zijn, dat Merkel weet hoe zij ongehoorzame leden van haar kamp moet afstraffen. Merkel zou ook, na een korte periode van besluiteloosheid, de verkiezingsresultaten gewoon kunnen negeren en een Commissievoorzitter kunnen benoemen die de goedkeuring van de Britten kan wegdragen, waardoor zowel Juncker als Schulz buitenspel zouden komen te staan. Dit zou een positief signaal zijn voor diegenen in Europa, en niet alleen in Engeland, die graag zouden zien dat er bevoegdheden door Brussel aan de natiestaten worden teruggegeven. In het bijzonder zou het een goede voorbereiding zijn voor de komende onderhandelingen met Londen over een herziening van de Europese verdragen langs deze lijnen. Het lijkt erop dat Duitsland er belang bij heeft Groot-Brittannië binnen de EU te houden, al was het maar als verzekering tegen al te ambitieuze integratieprojecten zoals die waarschijnlijk vanuit de zuidelijke lidstaten zullen worden gelanceerd en vanuit Duits gezichtspunt behoorlijk duur zouden kunnen zijn. Uiteindelijk zal de SPD, die immers het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken bestiert, hier - misschien na wat publiekelijk gemopper – waarschijnlijk wel akkoord mee gaan, zoals de partij dat altijd heeft gedaan.

De tweede kwestie die de SPD op een of andere manier de baas moet zien te worden is de implementatie van het amendement op de grondwet over een evenwichtige begroting, uitgerekt over een periode van ruim tien jaar, dat onder de eerste grote coalitie onder Merkel in 2009 is aangenomen. Omdat de CDU/CSU en de SPD het amendement samen hebben ingebracht, zal het voor beide partijen moeilijk zijn ervan af te wijken. Aan de andere kant kunnen er, ook al is de taal waarin het is opgesteld buitengewoon gedetailleerd en technisch waardoor het amendement volledig onleesbaar is geworden voor een algemeen publiek, altijd gaten worden gevonden om de bezuinigingen indien nodig te verzachten. Zolang de algemene economische situatie in Duitsland zo goed blijft als zij nu is, zal de consolidatie van de overheidsfinanciën, die al is begonnen, slechts weinig pijn veroorzaken en kan het in evenwicht brengen van de begroting een gezamenlijke onderneming blijven. Maar de pensioenhervormingen van 2014 waren al in strijd met de geest van de bezuinigingen waaronder de Schuldenbremse tot stand was gekomen, en op het moment dat de belastinginkomsten gaan stagneren of afnemen, zullen de hogere pensioenrechten zichzelf pijnlijk doen voelen. Tot de begrotingszaken die potentieel controversieel kunnen worden behoren de nog steeds zeer hoge jaarlijkse afdrachten aan de Neue Länder, de deelstaten van de vroegere DDR. Voor een regering die deze uitgaven om politieke, zo niet om andere, redenen zal moeten verdedigen tegen bezuinigingen zal het onmogelijk zijn nieuwe overdrachten te bepleiten bij de zuidelijke en zuidoostelijke lidstaten van de EU en de EMU, ongeacht of dit via Brussel of op bilaterale basis gebeurt. Daardoor zullen de Duitse mogelijkheden in Europa duidelijk verder worden beperkt, ook als het gaat om de verdediging van de gemeenschappelijke munt. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat dit de zwartrode coalitie zal destabiliseren, kan het van doorslaggevende betekenis zijn dat de deelstaten, die samen de helft van de overheidsuitgaven in Duitsland voor hun rekening nemen, het moeilijker zullen krijgen om hun financiën in de hand te houden als dat moet op de manier die door de geamendeerde federale grondwet wordt geëist. Toevallig kennen de meeste deelstaten vandaag de dag deels sociaaldemocratische coalities en zijn sommige minister-presidenten krachtige figuren binnen de SPD. Hen op een lijn brengen met het beleid van de federale regering wat begrotingsconsolidatie betreft zal een krachtige test zijn voor het nationale leiderschap van de SPD en de sociaaldemocratische kabinetsleden, die heel goed zou kunnen mislukken.

De derde en laatste van de drie cruciale kwesties voor de sociaaldemocraten onder de grote coalitie is het energievraagstuk. Toen Merkel het nucleaire tijdperk in Duitsland per decreet beëindigde tijdens de paniek na de ramp in het Japanse Fukushima verwezenlijkte ze met één pennenstreek de optie van een zwart-groene coalitie. Hiervoor kon ze op perverse wijze rekenen op de steun van de SPD, die zich lange tijd had geïdentificeerd met het antikernenergiestandpunt van de Groenen, ondanks aanzienlijke scepsis bij de vakbonden die bezorgd waren over de werkgelegenheid, en de deelstaatregeringen, vaak sociaaldemocratisch van signatuur, die zich zorgen maakten over een veilige energietoevoer. Toen het algemene enthousiasme voor de Energiewende was vervlogen en de enorme problemen van het op grote schaal vervangen van kernenergie door duurzame energie voelbaar werden, stond Merkel het energiebeleid op slimme wijze af aan de SPD door ermee in te stemmen het van het ministerie van Milieu over te hevelen naar het ministerie van Economische Zaken, dat de SPD voor haar partijleider had geclaimd. Gabriel zal nu diverse schier onoplosbare problemen tegelijk moeten aanpakken. In de eerste plaats zal hij oplossingen moeten zien te vinden om de stijging van de energieprijzen voor particuliere huishoudens een halt toe te roepen en wellicht terug te draaien. Die prijsstijging is veroorzaakt door de zware subsidiëring van duurzame energie. In de tweede plaats en tegelijkertijd zal hij het groene element binnen de SPD gerust moeten stellen dat hij niet bij Merkel achterop zal blijven als het gaat om het tempo en de reikwijdte van de Energiewende.

In de derde plaats is de Duitse industrie intussen bezorgder dan ooit over de stijgende energieprijzen. Bedrijven beginnen te denken aan het verplaatsen van hun productie naar landen waar de energie goedkoper is. Dezelfde angst wordt uitgesproken door de bonden in de industrie, vooral de vakbond van werknemers in de chemie, die ook de energiesector bestrijkt en waaronder de werknemers van kerncentrales vallen. In de vierde plaats is de Europese Unie in Brussel wantrouwig geworden over wat zij ziet als overheidssubsidies (‘staatshulp’ in het Brusselse jargon) voor de verlaging van de energiekosten van industriële ondernemingen in energieintensieve sectoren – die op hun beurt bang zijn dat Brussel hen van hun voordelen zal beroven. In de vijfde plaats keren de burgers, waaronder een deel dat het einde van de kernenergie had toegejuicht, zich tegen de aanlegvan nieuwe hoogspanningsnetwerken die nodig zijn voor het transport van windenergie van het noorden naar het zuiden van het land. Voor de sociaaldemocraten zal het voornaamste slagveld de detailhandelsprijs van elektriciteit voor huishoudens met lage inkomens zijn, gevolgd door de werkgelegenheid in de industrie- en de energiesector. Ongetwijfeld had Merkel redenen te over om de verantwoordelijkheid voor de Energiewende aan haar partner af te staan, nu de Groenen in de coulissen staan te wachten op het moment dat Gabriel de handdoek in de ring zal moeten gooien als gevolg van de toenemende druk van verschillende, onverenigbare belangen. Dat zou het begin van de zwart-groene coalitie kunnen inluiden.

(C) Leesmagazijn

Vertaling: Menno Grootveld

Foto: Armin Linnartz

Als onderdeel van de serie over Europees links heeft The Current Moment een artikel van Wolfgang Streeck gepubliceerd over de SPD onder het bondskanselierschap van Angela Merkel. Streeck is directeur van het Max Planck Instituut voor Gesellschaftsforschung in Keulen. Hij wordt in Duitsland en daarbuiten alom geprezen voor zijn werk op het gebied van desociologie en de politieke economie. Zijn meest recente boek, Gekaufte Zeit, komt in het najaar in Nederlandse vertaling uit bij Leesmagazijn.

Sinds het najaar van 2013 wordt Duitsland geregeerd door een grote coalitie van de christendemocratische CDU/CSU van bondskanselier Angela Merkel en de sociaaldemocratische SPD van partijleider Sigmar Gabriel. Dit samengaan van 'zwart' en 'rood' was niets anders dan de formalisering van de informele samenwerking na de eerste grote coalitie van de 21ste eeuw in 2009. Nu de oppositie in de Bondsdag is verpulverd tot een kleine, politiek versplinterde minderheid, lijkt het niet al te overdreven om te stellen dat de regering stevig in handen is van een centrumpartij van nationale eenheid waarin de twee voormalige Volksparteien vreedzaam zijn opgegaan. Het is opmerkelijk hoe tevreden de twee partijen zijn met hun hereniging, en hoe stabiel hun aandeel in de uitgebrachte stemmen sinds 2009 is gebleven: de CDU/CSU krijgt de steun van ongeveer 40 procent van de kiezers, terwijl de SPD blijft steken op zo'n 25 procent, een uitslag die in 2009 nog als catastrofaal werd gezien en werd toegeschreven aan het feit dat de partij de minderheidspartner in het kabinet van Merkel was geweest. Nu lijkt de SPD er vrede mee te hebben geen serieuze kandidaat voor het kanselierschap meer te zijn, zo niet voor altijd dan toch in ieder geval voor heel lang.

Er zijn diverse redenen voor de stabiliteit van de huidige machtsdeling – of beter gezegd: dit coöptatieregime – en de verwachting dat dit nog lange tijd zal standhouden. Angela Merkel lijkt de voorkeur te geven aan SPD boven de coalitiepartner van haar tweede termijn als bondskanselier, de FDP. Met de sociaaldemocraten aan boord loopt ze niet langer het risico door haar partij te worden gedwongen – of door haar hartstochten, als ze die al heeft, te worden verleid – de gevoelens van de gepensioneerden, de werklozen of de resterende cliënten van de verzorgingsstaat te krenken door neoliberale 'hervormingen' na te streven, althans in Duitsland. Terwijl de SPD minder vatbaar is voor electoraal politieke paniek, omdat zij zich (nog steeds) voldoende ver verwijderd weet van de vijfprocentsdrempel, zal de FDP misschien wel nooit meer herstellen van haar inzinking en verdwijnen in het niemandsland buiten de Bondsdag. Bovendien zijn er, als de SPD om de een of andere reden zou breken met Merkel, nu de Groenen die staan te trappelen om de plaats van de SPD als regeringspartner in te nemen – en de SPD weet dat. Nu ze na het teleurstellende verkiezingsresultaat van 2013 afscheid hebben genomen van hun oude leiders, zijn de Groenen nog steeds boos op zichzelf omdat ze Merkels uitnodiging voor coalitieonderhandelingen hebben afgewezen. Merkel kan nu kiezen tussen twee comfortabele meerderheden, een met de SPD en een met de Groenen, en de volgende keer wil ze misschien wel van partner ruilen eenmaal de SPD het vuile werk heeft opgeknapt met het herzien van de Energiewende, rekening houdend met de belangen van de Duitse exportsector en wellicht de particuliere huishoudens die te kampen hebben met steeds verder stijgende elektriciteitsprijzen. Meer daarover hieronder.

Intussen lijkt rood-groen-rood, een regering onder leiding van de SPD met de Groenen en de Linkspartij, als praktische mogelijkheid steeds verder uit beeld te verdwijnen. De Groenen, die uiteindelijk hun linkse neigingen hebben laten varen, zullen niet toestaan dat hun mogelijke deelname aan een regering waarvan ook Die Linke deel uitmaakt ten koste gaat van hun nieuwe imago van een door en door bürgerliche middenpartij met een sociaal-progressieve en ecologisch bewuste agenda. En hoewel de Linkspartij hard haar best heeft gedaan om zichzelf af te schilderen als een stabiele steunpilaar van ‘Europa’ – dat in Duitsland nu wordt gelijkgesteld aan de euro – zal haar sympathie voor Rusland in de crisis rond Oekraïne haar nog meer tot een buitenbeentje in de Duitse partijpolitiek maken, niet in de laatste plaats dankzij de aanhoudende verkettering door de SPD. Binnen de SPD heeft Sigmar Gabriel, de partijleider en minister van Economische Zaken, de controle nu volledig in handen. Dit komt niet in de laatste plaats doordat Merkel, door belangrijke concessies te doen tijdens de coalitieonderhandelingen, waaronder een onevenredig grote vertegenwoordiging van SPD-ministers in het kabinet, het hem makkelijker heeft gemaakt de verpletterende nederlaag te vergeten die de partij in 2013 onder zijn leiderschap heeft geleden. Bovendien is Gabriels kandidaatkanselier Peer Steinbrück al twee of drie dagen na de verkiezingen op wonderbaarlijke wijze in het niets verdwenen, alsof hij nooit had bestaan; niemand heeft sindsdien nog van hem vernomen. Frank-Walter Steinmeier, Gabriels tweede voormalige rivaal, is blij dat hij weer minister van Buitenlandse Zaken mag zijn, een post die hij al tijdens de eerste grote coalitie tussen 2005 en 2009 bekleedde, waarna de partij zo onder de indruk van hem was dat zij hem – met desastreuze gevolgen – tot kandidaat-bondskanselier bombardeerde.

Het bondgenootschap van Gabriel met Angela Merkel heeft hem in staat gesteld de kloof tussen de SPD en de vakbonden te dichten, via twee beleidsconcessies die hij bij de CDU/CSU heeft bedongen. De eerste betreft de invoering van een algemeen minimumloon, de tweede een feitelijke verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd voor een selecte groep werknemers. Beide maatregelen zijn weliswaar nog steeds niet rond en de details worden betwist tussen de SPD en facties binnen de CDU/CSU, maar de bondskanselier houdt zoals je zou verwachten stevig vast aan de coalitieovereenkomst en het lijdt geen twijfel dat de twee maatregelen uiteindelijk in een of andere vorm zullen worden bekrachtigd. De voorgeschiedenis van de op handen zijnde wetgeving rond het minimumloon is overigens nogal curieus. Lange tijd hebben de vakbonden zich verzet tegen iedere wettelijke regulering van de lage lonen, om de collectieve salarisonderhandelingen te beschermen. De eerste die de gesloten gelederen doorbrak was de vakbond voor de dienstensector, Verdi, die na de hervormingen van de arbeidsmarkt de controle over de onderkant daarvan was kwijtgeraakt. Na een paar jaar ging ook IG Metall, nog steeds de sterkste vakbond, overstag. Dit had al veel eerder kunnen gebeuren omdat zij praktisch geen laagbetaalden vertegenwoordigt. Nu kan de SPD met het wettelijk minimumloon zwaaien als een eerbetoon aan de vakbonden en als een teken dat de sociaaldemocratische regeringsdeelname echte voordelen voor de werknemers met zich meebrengt – wat in dit geval eigenlijk nog waar is ook.

Ook de pensioenhervormingen dienen om de betrekkingen met de bonden te repareren. Onder de eerste grote coalitie heeft de toenmalige SPD-leider en minister van Arbeid, Franz Müntefering, bijna in zijn eentje de pensioengerechtigde leeftijd opgetrokken naar zevenenzestig jaar, waarbij de SPD werd gepasseerd in wat neerkwam op een soort coup d'état met de steun van Merkel. De nieuwe wet maakt het mogelijk dat werknemers met een arbeidsverleden van vijfenveertig jaar - inclusief perioden van werkloosheid - op hun drieënzestigste met pensioen gaan, met volledig behoud van rechten. De zaak is ingewikkelder dan het lijkt en complexer dan de pleitbezorgers en criticasters ervan haar willen doen lijken. Het is waar dat de wet vooral in het voordeel is van de mannelijke handarbeiders die de kerngroep van het ledenbestand van de vakbonden vormen. In ruil daarvoor heeft de SPD een nog duurdere pensioenverhoging geslikt voor moeders met kinderen die vóór 1992 geboren zijn, wat een lievelingsproject was en is van de christendemocraten in hun pogingen om de vrouwelijke stem terug te winnen. Net als tegen het minimumloon hebben veel Duitse economen zich met hand en tand verzet tegen beide pensioenhervormingen. Zij vormen een neoliberale monocultuur die een verbazingwekkende interne conformiteit tentoonspreidt en voorspelbaar gekant is tegen alles wat ook maar enigszins sociaaldemocratisch lijkt.

Naast de wetgeving over het minimumloon en de pensioenhervormingen zullen met name drie kwesties de agenda van de grote coalitie bepalen. Uiteindelijk zullen zij beslissen op welke constellatie van politieke krachten de vierde termijn van Merkel – niemand twijfelt er in alle ernst aan dat zij die wil en zal krijgen – gebaseerd zal zijn. De eerste van deze kwesties is Europa. Op dit punt is de SPD het altijd eens geweest met Merkel, zowel binnen als buiten de regering. Het is waar dat de partij zo nu en dan anti- Merkel-retoriek heeft ingezet om het euro-idealistische deel van de middenklasse naar zich toe te trekken, zoals dat vooral door de Groenen wordt vertegenwoordigd. In die zin heeft Gabriel vóór de verkiezingen van 2013 diverse pogingen gedaan om de steun te verwerven van intellectuelen als Jürgen Habermas, om wat hij presenteerde als een sociaaldemocratisch alternatief voor Merkels Europa-beleid. De boodschap, zij het meestal gecodeerd en heel subtiel, was dat Merkel minder deed dan nodig was om het lijden in het zuiden te verzachten. Maar het enige praktische gevolg - als dat er al was – was dat Merkel won en de SPD verloor door toedoen van degenen die bang waren dat ‘Europa’ te duur zou worden. Het lijkt erop dat dit de reden was dat Merkel het niet nodig vond wraakzuchtig te zijn naar aanleiding van de sociaaldemocratische aanvallen.

Toen de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen begonnen, was de eerste overeenkomst die al op de allereerste dag lijkt te zijn gesloten dat de SPD de europeanisering van de staatsschulden (‘eurobonds’) heeft laten vallen, die de Groenen en de progressieve middenklassen zo dierbaar was, in ruil voor de instemming van de CDU met het wettelijk minimumloon. Zowel de CDU/CSU als de SPD weten dat meer dan symbolische hulp voor de crisislanden hen bij verkiezingen duur komt te staan, hoewel de SPD – tot grote opluchting van Merkel – voor het ‘progressieve’ deel van haar aanhang wel heeft moeten voorwenden daar niet van onder de indruk te zijn. In werkelijkheid vormen Merkel, Schäuble, Gabriel, Steinmeier en de reeds vergeten Steinbrück al lang een Einheitsfront, in de wetenschap dat ze de euro tegen iedere prijs moeten verdedigen, omdat die de levenslijn van de Duitse exportsector is, niet alleen voor de werkgevers maar ook voor de vakbonden. Voor de Duitse economie betekent de Europese Monetaire Unie een gunstige wisselkoers plus vaste prijzen voor de Duitse producten op de gesloten ‘interne markt’ die tegen politieke ontwrichting door een herschikking van nationale munten is beschermd. De Duitse politieke klasse weet dat hier op een bepaald punt voor zal moeten worden betaald, maar zij is vastbesloten die prijs zo laag mogelijk en voor haar kiezers zo onzichtbaar mogelijk te houden. Eén manier om dit te doen is aandringen op ‘hervormingen’ in de schuldenlanden, een andere het bieden van financiële steun aan sociale programma's in Griekenland of Spanje die klein genoeg zijn om geen deuk te slaan in de Duitse overheidsfinanciën, maar ook geen invloed hebben op de ellende in het zuiden. Veel belangrijker is de stilzwijgende steun van zowel de CDU als de SPD voor de diverse geheime maatregelen van de Europese Centrale Bank om de noodlijdende Zuid- Europese banken te hulp te schieten en de schuld van de mediterrane staten te herfinancieren, ondanks het verbod daarop in het Verdrag van Maastricht. Terwijl de christendemocraten pretenderen van niets te weten, zijn de sociaaldemocraten uit op de lof van hun pro-Europese aanhangers omdat ze de ‘noodmaatregelen’ van de ECB niet hebben gedwarsboomd.

De zogenoemde ‘Europese verkiezingen’ werden op twee niet direct verenigbare manieren, op hetzelfde moment en door dezelfde spelers, officieel in de Duitse politiek ingekaderd. In de eerste plaats werden ze afgeschilderd als een manicheïstische strijd tussen de ‘goede Europeanen’ van het Einheitsfront van CDU/CSU/SPD/Groenen/FDP en de ‘vijanden van Europa’ - de ‘Anti-Europeanen’, vooral vertegenwoordigd door een nieuwe centrum-rechtse partij, AfD, die was gevormd om het einde van de monetaire unie te eisen. Tijdens de verkiezingscampagne zijn alle controversiële punten tussen de huidige regeringspartijen, waarvan de meeste sowieso pseudo-controversieel waren, weggemoffeld (er werd geen gewag meer gemaakt van ‘eurobonds’), net zoals op Europees niveau alle cruciale besluiten werden uitgesteld (zoals de bankenunie en de diverse aanvullende ‘reddingsoperaties’ die deze zal vergen). De gemeenschappelijke doelstellingen van de christendemocraten en de sociaaldemocraten waren een hogere kiezersopkomst en het zo klein mogelijk houden van de AfD. Beide doelstellingen werden deels verwezenlijkt doordat de 7,0 procent van de AfD lager was dan de proteststem in veel andere landen en de opkomst voor het eerst sinds decennia bij een nationale verkiezing omhoog is gegaan, van 43,3 naar 48,1 procent.

In de tweede plaats werd de verkiezing tegelijkertijd voorgesteld als een competitie tussen twee individuen, beiden Europese functionarissen met een respectabele staat van dienst en niet van elkaar te onderscheiden Europese overtuigingen, die in heel Europa namens hun respectievelijke ‘partijfamilies’ de strijd aangingen om het voorzitterschap van de Europese Commissie: de Luxemburgse christendemocraat Jean-Claude Juncker en de Duitse sociaaldemocraat Martin Schulz. Merkel had haar partij min of meer vol enthousiasme toegestaan aan deze komedie mee te doen, blijkbaar op voorwaarde dat zijzelf en niet Juncker op de verkiezingsposters van de CDU zou staan. De SPD stond er daarentegen op dat de ‘winnaar’ van deze wedstrijd tot commissievoorzitter moest worden benoemd, ook al kan er in de Europese verdragen niets daaromtrent worden aangetroffen en had Schulz nooit een reële kans om een meerderheid in het parlement achter zich te krijgen. Opmerkelijk genoeg heeft de SPD Schulz de hele campagne door gepresenteerd onder de slogan ‘Uit Duitsland, voor Europa’, in duidelijke tegenspraak met de pan-Europese retoriek waarvan Schulz zich buiten zijn geboorteland bediende. Het nationalistische kader waarin de sociaaldemocratische ‘Europese’ kandidaat werd aangeprezen heeft zich goed uitbetaald. Terwijl de christendemocraten 2,6 procentpunt inleverden en op 35,3 procent uitkwamen, won de SPD 6,5 procentpunt (ten opzichte van de 20,8 procent uit 2009, wat het slechtste resultaat ooit was voor de partij), om op 27,3 procent uit te komen.

Nu de verkiezingen voorbij zijn, is het weer de beurt van de Europese Raad, de vertegenwoordiging van de nationale overheden, wat vandaag de dag in principe de beurt van Angela Merkel betekent. Als ze dat wil kan ze nu als de informele leider optreden van haar ‘partijfamilie’ en proberen Juncker als Commissievoorzitter te installeren. Voor de vereiste meerderheid in het Europees Parlement heeft ze de steun van de sociaaldemocraten nodig, die ze zou kunnen krijgen als ze Schulz een post aanbiedt als Commissielid, misschien als vice-president. Dit zou ze kunnen doen door de zittende Duitse eurocommissaris te offeren, een vroegere christendemocratische minister-president van de deelstaat Baden-Württemberg die – heel plezierig – toevallig ook tegen het anti-nucleaire energiebeleid van Merkel is. Het sturen van Schulz naar Brussel als vertegenwoordiger van Duitsland zou Merkels Duitse coalitiepartner gelukkig maken: niet alleen zou de Duitse grote coalitie erdoor naar Europees niveau worden getild – waar christendemocraten en sociaaldemocraten altijd al nauw hebben samengewerkt –, de SPD had bij de coalitieonderhandelingen ook de Duitse post in de Commissie opgeëist, zonder dat beide kampen tot overeenstemming waren gekomen. Bovendien zou een benoeming van Schulz op nuttige wijze aantonen, mocht dat nog nodig zijn, dat Merkel weet hoe zij ongehoorzame leden van haar kamp moet afstraffen. Merkel zou ook, na een korte periode van besluiteloosheid, de verkiezingsresultaten gewoon kunnen negeren en een Commissievoorzitter kunnen benoemen die de goedkeuring van de Britten kan wegdragen, waardoor zowel Juncker als Schulz buitenspel zouden komen te staan. Dit zou een positief signaal zijn voor diegenen in Europa, en niet alleen in Engeland, die graag zouden zien dat er bevoegdheden door Brussel aan de natiestaten worden teruggegeven. In het bijzonder zou het een goede voorbereiding zijn voor de komende onderhandelingen met Londen over een herziening van de Europese verdragen langs deze lijnen. Het lijkt erop dat Duitsland er belang bij heeft Groot-Brittannië binnen de EU te houden, al was het maar als verzekering tegen al te ambitieuze integratieprojecten zoals die waarschijnlijk vanuit de zuidelijke lidstaten zullen worden gelanceerd en vanuit Duits gezichtspunt behoorlijk duur zouden kunnen zijn. Uiteindelijk zal de SPD, die immers het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken bestiert, hier - misschien na wat publiekelijk gemopper – waarschijnlijk wel akkoord mee gaan, zoals de partij dat altijd heeft gedaan.

De tweede kwestie die de SPD op een of andere manier de baas moet zien te worden is de implementatie van het amendement op de grondwet over een evenwichtige begroting, uitgerekt over een periode van ruim tien jaar, dat onder de eerste grote coalitie onder Merkel in 2009 is aangenomen. Omdat de CDU/CSU en de SPD het amendement samen hebben ingebracht, zal het voor beide partijen moeilijk zijn ervan af te wijken. Aan de andere kant kunnen er, ook al is de taal waarin het is opgesteld buitengewoon gedetailleerd en technisch waardoor het amendement volledig onleesbaar is geworden voor een algemeen publiek, altijd gaten worden gevonden om de bezuinigingen indien nodig te verzachten. Zolang de algemene economische situatie in Duitsland zo goed blijft als zij nu is, zal de consolidatie van de overheidsfinanciën, die al is begonnen, slechts weinig pijn veroorzaken en kan het in evenwicht brengen van de begroting een gezamenlijke onderneming blijven. Maar de pensioenhervormingen van 2014 waren al in strijd met de geest van de bezuinigingen waaronder de Schuldenbremse tot stand was gekomen, en op het moment dat de belastinginkomsten gaan stagneren of afnemen, zullen de hogere pensioenrechten zichzelf pijnlijk doen voelen. Tot de begrotingszaken die potentieel controversieel kunnen worden behoren de nog steeds zeer hoge jaarlijkse afdrachten aan de Neue Länder, de deelstaten van de vroegere DDR. Voor een regering die deze uitgaven om politieke, zo niet om andere, redenen zal moeten verdedigen tegen bezuinigingen zal het onmogelijk zijn nieuwe overdrachten te bepleiten bij de zuidelijke en zuidoostelijke lidstaten van de EU en de EMU, ongeacht of dit via Brussel of op bilaterale basis gebeurt. Daardoor zullen de Duitse mogelijkheden in Europa duidelijk verder worden beperkt, ook als het gaat om de verdediging van de gemeenschappelijke munt. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat dit de zwartrode coalitie zal destabiliseren, kan het van doorslaggevende betekenis zijn dat de deelstaten, die samen de helft van de overheidsuitgaven in Duitsland voor hun rekening nemen, het moeilijker zullen krijgen om hun financiën in de hand te houden als dat moet op de manier die door de geamendeerde federale grondwet wordt geëist. Toevallig kennen de meeste deelstaten vandaag de dag deels sociaaldemocratische coalities en zijn sommige minister-presidenten krachtige figuren binnen de SPD. Hen op een lijn brengen met het beleid van de federale regering wat begrotingsconsolidatie betreft zal een krachtige test zijn voor het nationale leiderschap van de SPD en de sociaaldemocratische kabinetsleden, die heel goed zou kunnen mislukken.

De derde en laatste van de drie cruciale kwesties voor de sociaaldemocraten onder de grote coalitie is het energievraagstuk. Toen Merkel het nucleaire tijdperk in Duitsland per decreet beëindigde tijdens de paniek na de ramp in het Japanse Fukushima verwezenlijkte ze met één pennenstreek de optie van een zwart-groene coalitie. Hiervoor kon ze op perverse wijze rekenen op de steun van de SPD, die zich lange tijd had geïdentificeerd met het antikernenergiestandpunt van de Groenen, ondanks aanzienlijke scepsis bij de vakbonden die bezorgd waren over de werkgelegenheid, en de deelstaatregeringen, vaak sociaaldemocratisch van signatuur, die zich zorgen maakten over een veilige energietoevoer. Toen het algemene enthousiasme voor de Energiewende was vervlogen en de enorme problemen van het op grote schaal vervangen van kernenergie door duurzame energie voelbaar werden, stond Merkel het energiebeleid op slimme wijze af aan de SPD door ermee in te stemmen het van het ministerie van Milieu over te hevelen naar het ministerie van Economische Zaken, dat de SPD voor haar partijleider had geclaimd. Gabriel zal nu diverse schier onoplosbare problemen tegelijk moeten aanpakken. In de eerste plaats zal hij oplossingen moeten zien te vinden om de stijging van de energieprijzen voor particuliere huishoudens een halt toe te roepen en wellicht terug te draaien. Die prijsstijging is veroorzaakt door de zware subsidiëring van duurzame energie. In de tweede plaats en tegelijkertijd zal hij het groene element binnen de SPD gerust moeten stellen dat hij niet bij Merkel achterop zal blijven als het gaat om het tempo en de reikwijdte van de Energiewende.

In de derde plaats is de Duitse industrie intussen bezorgder dan ooit over de stijgende energieprijzen. Bedrijven beginnen te denken aan het verplaatsen van hun productie naar landen waar de energie goedkoper is. Dezelfde angst wordt uitgesproken door de bonden in de industrie, vooral de vakbond van werknemers in de chemie, die ook de energiesector bestrijkt en waaronder de werknemers van kerncentrales vallen. In de vierde plaats is de Europese Unie in Brussel wantrouwig geworden over wat zij ziet als overheidssubsidies (‘staatshulp’ in het Brusselse jargon) voor de verlaging van de energiekosten van industriële ondernemingen in energieintensieve sectoren – die op hun beurt bang zijn dat Brussel hen van hun voordelen zal beroven. In de vijfde plaats keren de burgers, waaronder een deel dat het einde van de kernenergie had toegejuicht, zich tegen de aanlegvan nieuwe hoogspanningsnetwerken die nodig zijn voor het transport van windenergie van het noorden naar het zuiden van het land. Voor de sociaaldemocraten zal het voornaamste slagveld de detailhandelsprijs van elektriciteit voor huishoudens met lage inkomens zijn, gevolgd door de werkgelegenheid in de industrie- en de energiesector. Ongetwijfeld had Merkel redenen te over om de verantwoordelijkheid voor de Energiewende aan haar partner af te staan, nu de Groenen in de coulissen staan te wachten op het moment dat Gabriel de handdoek in de ring zal moeten gooien als gevolg van de toenemende druk van verschillende, onverenigbare belangen. Dat zou het begin van de zwart-groene coalitie kunnen inluiden.

(C) Leesmagazijn

Vertaling: Menno Grootveld

Foto: Armin Linnartz