1. Uit de Euro!
Wolfgang Streeck

Uit de euro!

Om de Europese gedachte te redden moet het monstrum van de muntunie worden ontbonden

Uit de euro!
Om de Europese gedachte te redden moet het monstrum van de muntunie worden ontbonden
Uit de Euro!

Wolfgang Streeck

Als alles goed gaat, is dat wat zich dezer dagen voor onze ogen afspeelt het begin van het einde van de Europese muntunie. “Als de euro mislukt, dan mislukt Europa,” aldus de Duitse bondskanselier Angela Merkel, toen het erom ging de kiezers een van die onbeschrijfelijke reddingsplannen voor de Europese banken te verkopen. Het is juist andersom. De euro staat op het punt Europa te verwoesten. Als de euro mislukt – maar dat moet dan wel snel gebeuren – is er nog een kans dat het met Europa uiteindelijk toch nog goedkomt. Maar zeker is dat niet; daarvoor zijn de wonden die de muntunie heeft geslagen nu al te diep.

Door het aantreden van de nieuwe Griekse regering van het linkse Syriza en een rechts-radicale splinterpartij zou het monstrueuze project om verschillende economieën één gemeenschappelijke munt op te dringen eindelijk zijn welverdiende einde kunnen vinden. Wat heeft men niet allemaal al geprobeerd! Eerst namen grauwe technocraten uit de wereld van de private en publieke geldbureaucratieën, Monti en Papademos, de plaats in van gekozen regeringen, tot ze na korte tijd door hun democratisch gezinde, ondankbare volkeren naar huis werden gestuurd – Monti, nadat hij de Italianen tijdens de verkiezingscampagne had voorgespiegeld dat hij Duitsers van ze zou maken. Na hem kwam Letta, een eurofiele partijtijger, en na Papademos kwam er een grote coalitie van de twee corrupte Griekse clientèle-partijen. Nieuwe Democratie en Pasok, die het land met behulp van  Brussel en New York de afgrond in hadden gereden.

Letta is nu al wat langer verdwenen en vervangen door een met alle winden meewaaiend PR-mannetje, Renzi; en Samaras en Venizelos, de Atheense Blues Brothers, zijn op hun wreker gestuit in de gedaante van Alexis Tsipras en zijn nieuwe, nieuwsoortige partij. In Griekenland en in Italië is het tijdperk van de gehoorzaamheid aan Europa daardoor voorgoed voorbij: de nationale democratische instituties, wat je er verder ook van mag vinden, hebben de implantaten van Brussel afgestoten. En zo zal het doorgaan, vooral als straks in Spanje de zusterpartij van Syriza, Podemos, de vergaand corrupte Partido Popular de woestijn instuurt.

Als dit nog niet de ontrafeling van de monetaire unie betekent, houdt het op z'n minst het einde van het bezuinigingsbeleid in. De professionals vechten in Athene een robbertje met de amateurs. In deze strijd is alles geoorloofd. Niets wat de pers nu bereikt kan voor zoete koek worden geslikt; het eerste slachtoffer in de oorlog is altijd de waarheid. We kunnen slechts van één ding zeker zijn: in de toekomst is niets meer hetzelfde. Dit zou zelfs zo zijn geweest als de Griekse verkiezingen waren gewonnen door de oude partijen onder Samaras; zelfs zij hadden het 'Memorandum'-beleid van de Troika van EU, IMF en ECB niet kunnen voortzetten, en hebben dat zelf ook gezegd. Voor de oplichters in Brussel had dit misschien niet zoveel uitgemaakt; toch is het nog niet zo lang geleden dat het toenmalige hoofd van de PR-afdeling, in een onbewaakt moment, het – voor hem – vanzelfsprekende verschil demonstreerde tussen wat moet worden gezegd om verkozen te worden en wat je daarna daadwerkelijk doet. We horen nu dat de vorige Griekse regering zich eenvoudigweg maandenlang heeft beziggehouden met de oude praktijk van het creatief boekhouden – wellicht omdat de ambtenaren die op aandringen van de Troika werden ontslagen met pensioen werden gestuurd zonder dat daarmee in de begroting rekening was gehouden. Ook ditmaal hadden de horden economen van EU, IMF en ECB uiteraard helemaal niets in de gaten.

Wat er precies bij de inmiddels begonnen onderhandelingen uit zal komen, kan niemand weten. Syriza is het er intern niet over eens of Griekenland deel moet blijven uitmaken van de eurozone of niet – maar zelfs als het doel een vertrek uit de euro zou zijn, zou men er verstandig aan doen dat niet te zeggen. Welke kaart de Griekse regering uiteindelijk kan en zal trekken, moet nog blijken: er is veel mogelijk, van een Russisch krediet tot financiële zelfmoord in de vorm van een formeel staatsbankroet. Aan de andere kant bezweren Italië en Spanje dat zij achter het gemeenschappelijke hervormings- en reddingsbeleid staan – maar duidelijk is dat zij de concessies, die Griekenland zal weten te bedingen, ook voor zichzelf zullen opeisen. Dat zal dan voor het Noorden en vooral voor Duitsland een dure grap worden. Is Syriza het proefkonijn, dat duidelijk moet maken hoe ver Duitsland bereid is te gaan om de muntunie bij elkaar te houden?

Wellicht lukt het de Brusselse onderhandelingskunstenaars om Griekenland via een combinatie van beloningen en de dreiging van straffen in eerste instantie rustig te houden en de euro zo door de zomer heen te loodsen. En misschien heeft dat het gewenste neveneffect dat Syriza uiteenvalt en de steun van zijn kiezers wegebt. Maar iedereen weet nu al dat hiermee op de middellange termijn niets zal worden gewonnen. De adempauze zal slechts van korte duur zijn, ook als het nog een keer zou lukken een of ander compromis langs de Noord-Europese kiezers te sluizen.

Met een sanering van de Griekse begroting, als die althans tot stand zou komen, en de vervolgens onontkoombare sanering van de begroting van de andere schuldenlanden is namelijk niets gewonnen. Ook als de Griekse economie op het huidige niveau zou stabiliseren, blijven de door de 'hervormingen' – de interne devaluatie onder de de-facto-Gouden-Standaard van de muntunie – ontstane gigantische verschillen tussen Noord- en Zuid-Europa bestaan. Datzelfde zou gelden voor Italië en Spanje, wanneer zij door het opvolgen van de aanbevelingen van de Europese Centrale Bank en de EU 'concurrerend' zouden worden.

De gevolgen zouden compensatie-eisen zijn, door een herverdeling of 'aanzwengeling' van de groei in de vorm van kredieten of regionaal-politieke structuurhulp, op z'n minst om de verhoudingen uit de tijd van vóór de crisis en reddingsplannen te herstellen: een naar het niveau van de interstatelijke betrekkingen verplaatst herverdelingsconflict. Duitsland zou de adressant zijn, samen met een paar kleinere landen als Nederland, Oostenrijk en Finland – en Frankrijk zou als 'bemiddelaar' optreden. Het maakt niet uit of deze eisen ter compensatie voor het verhelpen van de crisis- en crisisbestrijdingsschade uit naam van de Europese solidariteit, als entreeprijs voor een gegarandeerde toegang tot de markt of als verlate herstelbetalingen gesteld en ingewilligd zouden worden – in vergelijking hiermee stellen de oude sociale en structuurfondsen van de EU helemaal niets voor.

Dit zou het begin zijn van een langdurig conflict, waaraan Europa ten onder zou kunnen gaan. Duitsland en het hele Noorden zouden zich niet aan de te verwachten onderhandelingen kunnen onttrekken. Binnen de muntunie zouden beslissingen, meer nog dan nu al het geval is, in alle openheid voortdurend vanuit het gezichtspunt van hun internationale uitwerking op de herverdeling worden doorgerekend. De zuidelijke landen zouden voor het opgeven van hun monetaire soevereiniteit en – daardoor – van de mogelijkheid van een externe devaluatie schadeloos gesteld moeten worden, en de kans moeten krijgen de gevolgen van hun door neoliberale 'hervormingen' veroorzaakte interne devaluatie te verzachten en op de lange termijn te compenseren, al was het maar ter voorkoming van een politieke rebellie van hun burgers, of van hun regeringen naar buiten toe.

Het Noorden – Brussel, Berlijn – zou er als tegenprestatie voor de als groeiprogramma, regionaal-politieke kredieten of infrastructurele subsidies gelegitimeerde compensatiebetalingen op moeten staan, inspraak in en controle te hebben op het gebruik ervan. Geld in ruil voor controle, in een unie van soevereine Europese natiestaten! Te verwachten valt dat de geldschieters de met hen overeengekomen betalingen te hoog en de voor hun ingeruimde controlemogelijkheden ontoereikend zullen vinden, terwijl de ontvangers het geld als te weinig en de van hen verlangde beperkingen van de soevereiniteit als vernederend zullen ervaren.

Dat dit meer is dan slechts een tijdelijk probleem, en eigenlijk niets meer of minder dan een structureel probleem, blijkt uit het feit dat de monetaire unie nationale samenlevingen omvat met zeer verschillende soorten economieën en economische culturen, die op hun beurt overeenkomen met uiteenlopende sociale contracten die de interface vormen tussen het sociale leven en het moderne kapitalisme. Een belangrijk element van deze politiek-economische arrangementen bestaat uit hun respectievelijke monetaire regimes, aangepast aan hun omgeving. Er komt steeds meer recente literatuur over dit onderwerp. Vereenvoudigd tot ideaaltypen luidt de conclusie dat de landen van het Middellandse Zeegebied een soort kapitalisme hebben ontwikkeld, waarin de groei vooral wordt gedreven door de binnenlandse vraag, indien nodig met steun van de inflatie, als gevolg van een begrotingstekort of sterke vakbonden, in een context van grote arbeidszekerheid en goede werkgelegenheid in de publieke sector. De inflatie zorgt er weer voor dat staatsschulden makkelijker aanvaardbaar zijn doordat ze gestaag devalueren. Dit gaat vaak samen met een sterk gereguleerd systeem van nationale banken, die dikwijls gedeeltelijk genationaliseerd zijn. Op deze manier worden de belangen van werknemers en werkgevers – doorgaans binnenlands en kleinschalig – min of meer in evenwicht gebracht. De prijs is een gestaag verlies van internationale concurrentiekracht, die echter – gezien de monetaire soevereiniteit – kan worden gecompenseerd door periodieke devaluaties van de nationale munt, ten koste van buitenlandse exporteurs.

De noordelijke landen van de monetaire unie, en Duitsland in het bijzonder, functioneren anders. Hun groei is afhankelijk van het succes van hun export, en daarom hebben ze, inclusief de werknemers en hun vakbonden, een broertje dood aan inflatie – vooral tegenwoordig, omdat stijgende kosten heel snel kunnen leiden tot een verplaatsing van industriële productie-eenheden. Ze hebben zeker geen devaluaties nodig; Duitsland heeft sinds de jaren zeventig heel goed geboerd met een herhaaldelijke opwaartse herwaardering van zijn munt, vooral door zijn producten te verbeteren en over te stappen van prijsconcurrentie op kwaliteitsconcurrentie. Terwijl de mediterrane landen, inclusief Frankrijk, van oudsher een zwakke munt nodig hebben, zijn landen als Duitsland gewend aan een harde munt. Dat zorgt ervoor dat ze niet alleen afkerig zijn van inflatie maar ook van schulden, zelfs als de rente die zij op hun staatsschuld moeten betalen vrij laag is. Dat zij een soepel monetair beleid vermijden verlost ze ook van de noodzaak om de vorming van zeepbellen op de huizen- en aandelenmarkten te moeten accepteren, en komt hun spaarders ten goede.

Een gemeenschappelijk monetair regime voor de (Noord-Europese) spaar-en-investeringseconomieën aan de ene kant en de (Zuid-Europese) krediet- en consumptie-economieën aan de andere kant is tamelijk onmogelijk. Als dit niettemin wordt geprobeerd – en het is een interessante vraag hoe een Europese monetaire unie onder deze omstandigheden tot stand heeft kunnen komen – kunnen deze twee economische systemen niet gelijkelijk profiteren, tenzij een van hen zijn productiestructuur 'hervormt', evenals het sociale contract dat hierop is gebaseerd, naar het model van de ander. Het is in Europa bijna vergeten dat de eerste jaren van de monetaire unie een tijd waren waarin Duitsland de 'zieke man van Europa' was. Destijds was de gemeenschappelijke rente in de eurozone hoger dan de Duitse inflatie, en leed de Duitse politieke economie – die institutioneel en economisch niet goed tegen inflatie bestand was – onder een veel te hoge rente. Tegelijkertijd hadden de mediterrane landen inflatiecijfers die hoger waren dan de rente, zodat ze konden profiteren van een negatieve reële rente. Sinds 2008 en het einde van de bloei van de kredietmarkten, d.w.z. het doorprikken van de illusies van de financiële markten over de Duitse bereidheid om in laatste instantie de schulden van het Zuiden over te nemen, en nu de rente bijna nul is, zijn het de Duitsers die baat hebben bij de gemeenschappelijke munt. De begrijpelijke pogingen van de Zuid-Europese landen om de euro 'zachter' te maken met behulp van de ECB en op deze manier een uitweg te vinden naar inflatie, tekortfinanciering en devaluatie van de munt, stuiten op de even begrijpelijke weigering van de noorderlingen om als plaatsvervangende crediteuren te moeten fungeren op grond van besluiten van de meerderheid die tegen hen zijn gericht, en te moeten betalen voor de monetaire injecties waar de politieke economie van hun zuidelijke partners niet zonder kan.

Het hier aan de dag tredende structurele conflict, in welke wisselende vormen het zich ook manifesteert, zal er net zo lang zijn als de monetaire unie zelf. Als die unie hier niet aan ten onder gaat, omdat de regeringen koppig in hun 'frivole experiment' volharden of de Duitse exportsector, door het Duitse euro-idealisme van ideologische grondslagen voorzien, gelooft tot aan de eindzege aan zijn 'Europese idealen' te moeten vasthouden, zal Europa eraan ten onder gaan. Een zo snel mogelijke stopzetting van de muntunie in haar huidige vorm is dan ook in het Duitse belang, zo niet in economische dan toch zeker in politieke zin.

In de mediterrane landen, en ook in Frankrijk, is Duitsland sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer zo gehaat geweest als nu. Verkiezingsoverwinningen worden daar alleen nog tégen Duitsland en tégen de bondskanselier geboekt, zowel door links als door rechts. De monetaire injectie die de Europese Centrale Bank dit jaar in januari heeft doorgevoerd heeft beslist één effect gehad: een triomfgevoel in Zuid-Europa over de Duitse nederlaag in de ECB-raad. De held van Italië heet Mario Draghi, ondanks zijn neo-liberale overtuigingen en zijn verleden bij Goldman Sachs, omdat hij naar wordt vermeend de Duitsers te slim af is geweest en in het stof heeft doen bijten. Wie altijd alleen maar in Duitsland heeft gewoond en geen Italiaans verstaat, heeft geen idee van de emotionele verwoestingen die de euro teweeg heeft gebracht in de betrekkingen tussen beide landen.

De weigering van de Duitse pers om over de volle omvang van de kloof tussen Duitsland en zijn voormalige Europese vrienden te berichten, is één van de voorbeelden van het pietluttige conformisme dat de geloofwaardigheid van die pers zozeer schaadt. Zelfs oude vrienden ter linkerzijde, wier heldere visie ik altijd heb bewonderd, zeggen vandaag de dag tegen hun Duitse collega dat de beslissende conflicten zich in het huidige Europa niet meer tussen klassen maar tussen naties afspelen, met Duitsland aan de ene kant en de door Duitsland uitgebuite mediterrane landen aan de andere kant.

Een paar intellectuele verdiepingen lager, in de dagbladen en televisie-uitzendingen, worden Merkel en Duitsland veelvuldig met allerhande hakenkruizen geassocieerd. Andersom verschijnt de bondskanselier op opmerkelijk clichématige wijze, die klakkeloos door Duits links wordt overgenomen en daardoor voor de 'Europese publieke opinie' wordt gevalideerd, als 'Schwäbische Hausfrau' – met andere woorden: als mad in plaats van als bad –, die in tegenstelling tot haar vermoedelijke tegenpool, de levensblije, met een creditcard bewapende vrouw die gaat shoppen op Madison Avenue, hopeloos bij de tijd achterop is geraakt: de Duitsers als spelbedervers van de consumptiemaatschappij, die niet begrepen hebben dat je van kredieten niet failliet gaat maar je erdoor uit het moeras omhoog kunt laten trekken, en die daarom weigeren de rekening te betalen voor anderen, ook al komt het henzelf uiteindelijk ook ten goede.

Wolfgang Streeck, Gekochte Tijd, Leesmagazijn

Wolfgang Streeck, Gekochte Tijd, Leesmagazijn

Dit is de representatie in de populaire cultuur van de verschillende economische systemen, die door de muntunie op omineuze wijze in een gemeenschappelijk monetair regime zijn gedwongen. Dat Amerikaanse 'Keynesianen' als Lawrence 'Larry' Summers, die met hun dereguleringsmanie mede schuldig zijn aan de ineenstorting van 2008, dit regime ook nog wetenschappelijke geloofwaardigheid verlenen, is een van de vele ironieën van een tijd waarin er steeds minder is waar je om kunt lachen.

De Europese ineenstorting van Duitsland is voor een groot deel een langetermijnerfenis van de 'gepassioneerde Europeaan' Helmut Kohl. Toen Europese afspraken dreigden te mislukken als gevolg van onenigheid over de verdeling van de kosten, was Kohl, die als hoofd van de Duitse regering meer dan wie dan ook verantwoordelijk was voor de voortgang van de Europese integratie, steeds opnieuw bereid om de rekening te betalen. Wat om historische redenen in het belang van Duitsland kan zijn geweest, werd in de politieke folklore aan de persoonlijke overtuigingen van Kohl toegerekend, maar wekte niettemin ook verwachtingen die zijn ambtstermijn overstegen. Voor de opvolgers van Kohl, of ze nu afkomstig waren uit de CDU of de SPD, zouden de belangen van de exportsector en de vakbonden volstaan om alles te doen om deze verwachtingen waar te maken en het bijeenhouden van de Europese Muntunie (EMU) desnoods op eigen houtje te financieren. Maar dat kunnen zij nu niet langer. De door veel goede Europeanen gewenste verdieping van het integratieproces heeft de politisering ervan en het ontstaan van een Europese publieke opinie ten gevolge gehad, die een einde heeft gemaakt aan de 'gedogende consensus' – zoals dat in de relevante literatuur heet – over het Europese integratiebeleid.

Anders dan gehoopt houdt de Europese publieke opinie zich meer met de buitenlandse dan met de binnenlandse politiek bezig, waardoor de dominante factor wordt gevormd door belangenconflicten tussen staten onderling en het vroeger slechts voor kennisgeving aangenomen doel van een ever closer union steeds omstredener is geworden. Bovendien zijn in de muntunie de noodzakelijke integratiebijdragen, die volgens traditioneel recept van de Duitsers werden verwacht, zo hoog geworden dat zij de Duitse mogelijkheden ondanks de beste wil ter wereld overtreffen, ook al wordt dat niet geloofd door de partnerlanden die zich de tijd van Kohl nog kunnen herinneren.

Men kan troost putten uit het feit dat de regering-Merkel, ondanks de cliché's over hakenkruizen en Schwäbische huisvrouwen, maar al te zeer bereid zou zijn om voor de doorzetting van haar 'Europese idee' van een devaluatie-vrije supranationale interne markt voor Duitse machines en auto's een zeer hoge prijs te betalen op kosten van haar belastingbetalers. Datzelfde geldt, zij het op deels andere gronden, voor de in de Bondsdag verzamelde oppositie.

Het opduiken van de AfD (Alternative für Deutschland) in de Duitse binnenlandse politiek heeft dit echter onmogelijk gemaakt. Omdat ook de gedogende consensus er altijd al van heeft afgehangen dat niet alles wat de integratie moest dienen publiekelijk bekend zou worden, hadden er pogingen in het werk kunnen worden gesteld om de Duitse concessies in een of andere technocratische diepzeemijn te verstoppen, waartoe zich vooral de ECB had kunnen lenen, die immers al een paar goede diensten had geleverd. Maar ook dit is uiteindelijk door de verkiezingsuitslag in Griekenland onmogelijk gemaakt. Het te verwachten politieke getouwtrek over 'groeiprogramma's', schuldenkwijtscheldingen en risicodelingen enerzijds en interventierechten anderzijds zal onvermijdelijk in het meedogenloze licht van de publiciteit plaatsvinden, begeleid door alarm- en triomfgeluiden uit verschillende kampen, van de AfD in Duitsland en van bijna alle partijen in de debiteurenlanden.

De Europese Monetaire Unie heeft in heel korte tijd het Duitse Europabeleid en de in tientallen jaren bereikte successen daarvan teniet gedaan. Als nu niet heel goed wordt opgelet, kan zij ook geostrategisch catastrofale gevolgen hebben. Het is zonneklaar dat Rusland bereid is de Griekse regering kortetermijnkredieten te verstrekken als die door de EU worden geweigerd, mocht Griekenland de moed hebben de bezuinigingsovereenkomsten uit het verleden (het 'Memorandum') op te zeggen – of mocht de EU haar dreigement waarmaken om de geldkraan dicht te draaien voor een Griekenland dat zich tegen de hervormingen keert.

Hetzelfde zou kunnen gelden voor het geval van een Grieks staatsbankroet of het uit de EMU zetten van Griekenland. Als het zo ver zou komen, zou er sprake zijn van een eigenaardige maar ook unieke asymmetrie: terwijl de EU, aangemoedigd door de VS, in de westelijke periferie van Rusland – Oekraïne – voet aan de grond probeert te krijgen, zou Rusland op zijn beurt in Griekenland aan een bruggenhoofd in de oostelijke periferie van Europa kunnen werken. Ieder van beide partijen zou dan in de invloedssfeer van de andere partij een bodemloos vat moeten vullen, waarbij de Grieken redenen zouden hebben zich erover te verbazen dat Brussel, Berlijn en co. geld over hebben voor een behoorlijk oligarchisch Oekraïne, maar niet voor een door links geregeerd Griekenland.

Net zoals het westen zijn arm heeft uitgestrekt naar Sebastopol met zijn warmwaterbasis voor de Russische marine, zou Rusland zijn arm kunnen uitstrekken naar de Egeïsche Zee, het oefengebied (maar niet alleen oefengebied) van de Amerikaanse Zesde Vloot. Dit zou een terugkeer betekenen naar de geostrategische conflicten van de eerste naoorlogse jaren, die in 1946 hebben geleid tot de Britse interventie in de Griekse burgeroorlog. Een nachtmerrie.

Met de nieuwe samenstelling van de Griekse regering onder aanvoering van Syriza is het moment van de waarheid aangebroken voor een uit het lood geslagen, economisch, politiek en territoriaal buitensporig en door het financiële kapitaal bestierd Europees integratiebeleid. De ECB en haar 1200 miljard grote 'kwantitatieve versoepeling' (lees: geldproductieprogramma) doen feitelijk niet meer ter zake: de rapen zijn allang gaar. Er kan nu geen tijd meer worden gekocht, er is alleen nog maar tijd te verliezen.

Om ervoor te zorgen dat Europa niet voorgoed verandert in een moeras van multinationale wederzijdse beschuldigingen, met open grenzen en voortdurend het risico lopend van buitenaf te worden overspoeld, moet het monster van de monetaire unie uiteengerafeld worden. Europa als het vreedzaam gedeelde erfgoed van gemeenschappelijk voortgebrachte culturele verscheidenheid mag niet worden geofferd op het altaar van een kapitalistische eenheidseconomie en -munt. Deze ontrafeling moet op een sociaal aanvaardbare manier plaatsvinden, voordat de atmosfeer te zeer is vergiftigd.

Hoe dit moet worden aangepakt moet het belangrijkste Europese thema worden. De landen van het zuiden moeten uit de eenheidsmunt kunnen stappen, wellicht door de invoering van een zuidelijke 'euro' die van hen geen 'hervormingen' vergt waardoor hele samenlevingen vernietigd worden – en degenen die hen bij de start van de muntunie eindeloze subprime-kredieten hebben aangepraat, zullen daarvoor net zozeer moeten boeten als degenen die wisten hoe dat zou aflopen en niets hebben gezegd. In de plaats van de feitelijke Gouden Standaard in de verhoudingen met Noord-Europa moet een muntregime treden, dat flexibiliteit toestaat en tegelijkertijd willekeur uitsluit. Het aantal economen, waaronder zwaargewichten als de Amerikaan Alan Meltzer, dat precies dit eist, is steevast gegroeid. Het is de hoogste tijd dat degenen die dat kunnen ertoe worden gebracht constructief over de details na te denken. Om Mario Draghi te parafraseren: We moeten doen whatever it takes – niet om de euro, maar om Europa te redden.

Wolfgang Streeck is emeritus-directeur van het Max-Planck-Institut für Gesellschaftsforschung in Keulen.

Vertaling: Menno Grootveld

(c) Leesmagazijn

Wolfgang Streeck, Gekochte Tijd, Leesmagazijn

Wolfgang Streeck, Gekochte Tijd, Leesmagazijn